Feeds:
Berichten
Reacties

Gamish

IMG_0026

Met een schok word ik wakker. Ik voel een ruwe hand in mijn nek die mijn gezicht naar beneden duwt. Even later krijg ik in de gaten waarom: alweer een natte neus. Ik word zo te ruiken in een plas urine geduwd door iemand die er niet blij mee is. Dan word ik er vandaan gesleurd, over het gladde zeil naar de achterkant van het huis waar ik zonder pardon buiten word gezet. Ik voel hoe de deur achter me dicht wordt gesmeten, terwijl de kille oostenwind langs mijn rug waait. Rillend probeer ik me te bedenken waarom ik die plas nou weer niet kon ophouden vannacht. Natuurlijk, ik word ouder, dus dat er gebreken zijn is niet zo gek. Maar overdag lukt het me toch ook gewoon?

Binnen wordt steeds vaker over mij geklaagd en ik voel me steeds minder gewenst bij de mensen die ik vroeger zo veel blijdschap heb gegeven. De natte snuit die eigenwijs onder een rustende arm schoof bij de krantenlezer voor ik hem omhoog tikte om met mijn donkerbruine kijkers net zo lang naar de eigenaar ervan te knipperen tot ik een liefkozende aai over mijn kop kreeg of een klopje op mijn rug. Gezellig tegen de bazin aankruipen op de grote bank als ze ’s avonds weer tv ging kijken met mijn hoofd op haar schoot. Iedere bezoeker kwispelend begroeten, en in mijn jonge jaren vaak in combinatie met een vreugdesprongetje. Al die vertederde blikken als het gezin mij meenam naar een zonovergoten terras met allemaal schaars geklede mensen. Mijn lange, natte tong die de benen van het baasje likte en het rennen over de Stouwe achter het huizenblok van de Jan Steen, nadat ik veel te lang op de plaats rust had moeten houden terwijl Mieke en Imaël al commanderend steeds een stapje verder bij me wegliepen tot ik ze bijna niet meer kon horen. Het omsingelen van de koeien die er niks van snapten, vlakbij het kanaal. En wie joeg Ghismo weg als hij weer eens in de tuin zat te poepen? Samen met de glazen water van Imaël waren we een super-duo! Mijn piepende blaf terwijl ik vol spanning klaarstond om te springen naar het koekje dat Imaël steeds net te hoog boven mijn snuit hield. Samen met de familie helemaal naar Frankrijk in de auto. Om daar van de ene nieuwe geurverspreider naar de andere te rennen en nieuwsgierig elke heuvel afspeurend naar nieuwe ontdekkingen. Of die keer bij zee toen het zo had gevroren en ik me helemaal liet gaan over die bevroren golven. Hier en daar een uitglijer maar dat deerde niet. Ik ben waarschijnlijk een van de laatste hondjes in Nederland die een bevroren zee heeft meegemaakt. En al die mooie bossen waar ik de familie kwispelend vooruit ging. Denk je eens in hoeveel ze hadden gemist als ik er niet was geweest!

En thuis voelde ik wanneer ik mijn vrolijkheid even moest laten rusten omdat er iemand verdrietig was. Dan kwam ik voorzichtig even vragen of ik de schouder mocht zijn waarop even kon worden uitgehuild. Hoe vaak hebben ze me niet omhelsd als het ze even te veel werd? Ik was er altijd voor iedereen. Nooit liet ik ze in de steek. Maar nu ben ik te oud en word ik lastig. Ik stoot overal tegenaan en lig de hele dag te slapen. Op de grond. Omdat de bank, waar ik mijn leven lang op heb kunnen liggen nu ineens niet meer mag. Net terwijl ik aan het eind van de herfst van mijn leven aankom en mijn lichaam stram begint te worden.

Ik heb ook heus wel eens stoute dingen gedaan. Maar dat kwam door de verleiding. Als het baasje een hele kaas op tafel had laten staan terwijl ze de kinderen van school ging halen, moest ik daar natuurlijk slim gebruik van maken. Want als ik het van mijn normale maaltijden moest hebben zou mijn leven weinig verrassends voor mij in petto hebben. ’s Ochtends en ’s avonds: het maakte niet uit. Altijd droge brokken. Jarenlang alsmaar die brokken. De katten kregen elke dag een ander smaakje, mals en sappig, want anders wilden ze niet meer. Nooit heb ik geklaagd. Wel af en toe wat hapjes geproefd. Omdat ik wilde leven. Maar nu houdt mijn leven op. En het gekke is dat ik het niet eens door heb. Straks nemen ze me mee op reis. Waarheen? Ik weet het niet. Ik ben immers blind en doof. Vol vertrouwen, en goedgemutst, zoals ik altijd heb gedaan, volg ik ze. Want het was altijd leuk. En wandelen doen we niet zo veel meer tegenwoordig. Mijn plasjes moet ik in de tuin doen. Of op de grond in huis als ze vergeten me zelfs die tuin op te laten zoeken.  Maar nu mag ik weer mee. Bestemming onbekend. Ach, in elk geval even weg van thuis. Mijn warme thuis.

Op het schoolplein

rozenstof

Ik liep vroeger met een houtje-touwtje jas over het schoolplein. Daar had m’n moeder eigenhandig stoflapjes met romantische roosjes op de zakken gestikt. En van die kanten randjes langs de rits en zakken. Het resultaat van gehaaide onderhandelingen in de kledingzaak tussen mijn moeder en mij. Ik had geaccepteerd dat ik in een houtje-touwtje jas zou gaan lopen, als mijn moeder hem zou verfraaien met verschillende kleurtjes. Na een aanvankelijke schrikreactie bleek het een meesterzet. Want met het dragen van die jas kwamen de oudste meisjes van het laatste jaar naar me toe om me op te tillen en rondjes met me te draaien op het schoolplein. Dat waren de meisjes met beginnende borsten. Na die jas ben ik nooit meer met zoveel gemak bij een mooie-meisjes-boezem in de buurt gekomen…’

Minder leuk was de gymles zoals je hem normaal alleen in je meest duistere nachtmerries beleeft. Mijn moeder stikte namelijk niet alleen rozenstofjes op suffe jaszakken. Ze vond het ook onnodig om ondergoed op kleur te wassen. Zo gebeurde het eens dat mijn witte onderbroeken knalroze waren geworden na een zekere wasbeurt. En ook ik vond het niet zo erg om in roze ondergoed rond te lopen. Bang voor een bezoekje aan de EHBO was ik toen nog niet en ook de zorgen die bij het opgroeiende man-worden horen speelden toen nog geen rol van betekenis.

Zo gebeurde het dat ik op een dinsdagmorgen na het tweede lesuur tot de griezelige ontdekking kwam dat we die dag gymles hadden. Hoe ik dat had kunnen vergeten was ook mij een raadsel, want als ik érgens een hekel aan had in mijn lagere schooltijd dan was het wel aan gym. De uren na de gymles waren altijd hemels: een hele gymloze week in het vooruitzicht. Maar aan het eind van de zondag kwam die gewraakte dag toch weer angstvallig dichtbij en beheerste het vooruitzicht erop mijn gedachten in een zelfde mate als nu een bezoekje aan de kaakchirurg alleen nog weet op te wekken.

Dit keer was de gymles echter aan mijn gedachten voorbij gegaan – waarschijnlijk had ik het te druk met archeoloogje spelen in de grote zandbak waarin onze woonwijk in die dagen was omgetoverd door de gemeentewerkers – waardoor ik die dinsdagochtend tot mijn verbijstering ontdekte dat ik mijn gymspullen niet bij me had. En alsof de gymlessen niet al vervelend genoeg waren had onze gymlerares de strenge eis dat kinderen zonder gymspullen maar in hun onderbroek moesten meedoen. Anders wist ze wel wie er elke week zijn gymspullen thuis zou laten liggen…

Of al mijn onderbroeken in die dagen roze waren weet ik niet meer, maar die dag was het in elk geval raak. Twee uur lang was mijn onderbroek net zo gezond van kleur als mijn roze-rode wangetjes.

De lagere school. Als ik er op terug kijk was dat misschien wel waar ik me het meest druk om heb gemaakt in die zeven lange jaren: mijn kleding en de reacties erop van de schoolgaande kinderen.

Ik had een hele goede kledingsmaak. Maar zó goed, dat ik er niet voor uit durfde te komen. Toen ik de respectabele leeftijd van 7 jaar bereikt had en de kerst naderde, mocht ik een outfit van mijn ouders uitzoeken voor de feestdagen. Vastberaden liep ik direct naar de hoek met de zwarte colbertjes in kindermaat en bijpassende broek, waarmee ik dat jaar bij kerst de toon wist te zetten voor alle jaren die zouden volgen. De laatste keer werd ik door m’n neefje James Bond genoemd. En m’n oma vindt me een dandy. Maar goed, hoe gedistingeerd ook, ik trok ze buiten de privé-sfeer om niet aan. Op school liep ik in mijn scouting-trui (in m’n broek gestopt) en met rode sokken, me van geen kwaad bewust.

Veel schoenen die ik gedragen heb kan ik me niet meer voor de geest halen, maar ik heb een tijd lang met gympen gelopen in alle kleuren van de regenboog waarbij vooral de felroze stippen de aandacht trokken. Niet erg zou je denken, totdat er een meisje uit m’n klas langsliep die precies dezelfde schoenen droeg. De eerste momenten probeerde ik als een echte Brugman aan iedereen uit te leggen dat zij toch echt met jongensschoenen rondliep. Maar helaas was het omgekeerde verhaal uit haar mond voor velen toch geloofwaardiger. Want roze was toen nog niet voor mannen. Of jongetjes.

Een ander schoenenpaar dat me hoofdbrekers heeft bezorgd waren mijn allereerste echte brogues, of, zoals ik ze toen vaak noemde: mijn blauwe gaatjesschoenen. Jarenlang had ik me verlekkerd aan die veel te dure, chique schoenen achter de etalageruiten. En even lang had m’n moeder me te kennen gegeven dat die schoenen belachelijk duur waren en ik het wel kon vergeten daar op rond te lopen zolang ik voor mijn kleding afhankelijk was van de kinderbijslag. Maar uiteindelijk was het me gelukt: ik had m’n moeder beloofd er heel zuinig op te zijn en er nog lang op rond te zullen lopen. Niet geheel ongeloofwaardig na al die jaren van smeekbedes.

Maar toen was het tijd voor de nachtmerrie van mijn moeder: ik heb ze welgeteld één dag gedragen. Vol trots stapte ik als uw favoriete advocaat, politicus of zakenman het schoolplein op in mijn glimmende grote-mensen schoenen. Maar ik had nog geen stap op het plein gezet of de eerste schuine blikken van de ouderejaars had ik al te pakken. Wat er daarna allemaal al of niet tegen me gezegd is weet ik niet meer, maar het was voldoende om me ervan te doordringen dat een tweede dag op die schoenen mijn doodvonnis had betekend. En dus heb ik ze thuis heel diep onder mijn bed verstopt om ze er pas weer onder vandaan te halen toen ik de schoenmaat uitgegroeid was.

Ouder worden

old-people1

‘De spons’, zo noemt mijn moeder mij als ze mij in één beeld moet samenvatten. Bij alles wat ik zag, hoorde, rook of voelde stelde ik vragen en sloeg ik de antwoorden op in mijn bovenkamer. Nuttig of nutteloos, het maakte niet uit. Hoe weet je hoe hoog een grachtenpand aan de Prinsengracht is zonder geavanceerde meetapparatuur of bouwplan? Neem een stok waarvan je de lengte weet (kan ook je eigen lichaam zijn) en bekijk de schaduw. Leg die naast die van het huis en kijk hoe vaak je in de schaduw van het huis past, et voila! Nooit meer wat mee gedaan, maar altijd onthouden.

Ik was zo’n super irritant kind vroeger. Zo’n kind waar ik tegenwoordig een enorme hekel aan heb. Een kind dat ongevraagd en ongegeneerd op welk moment dan ook een vraag stelt. Of een kind dat zonder vragen allemaal dingen wil leren. Door keihard heen en weer te rennen in een drukke ruimte en dan hard te gaan krijsen als het uiteindelijk die onvermijdelijke smak op de grond maakt.

Gisteren had ik een afscheidsfeestje van een oud-klasgenootje waar ik het, na elkaar jaren uit het oog te zijn verloren, weer heel erg goed mee kan vinden. Ze vertrekt binnenkort voor een rondreis door Zuid-Amerika. Met de gepaste hoeveelheid wijn en zelfs een fles champagne en veel hapjes – waaronder een Zuid-Amerikaans aandoende dikke worst – haalden we herinneringen op als deze.

Zij was nadat ze haar studie tot industrieel vormgever had voltooid bij een administratie afdeling aan de slag gegaan, omdat ze het échte werken en het echte leven, waar ze voor opgeleid is, nog even voor zich uit wilde schuiven. Datgene wat ze probeerde te ontvluchten, namelijk het ouder worden, kwam zo echter schrikbarend dichtbij. Niet meer het ontspannen studenten-ritme en de bijhorende intellectuele gesprekken van tijd tot tijd, maar babyluiers, hypotheken en pensioen-opbouw waren de onderwerpen waar ze mee geconfronteerd werd. Om nog maar te zwijgen van het 9-5 patroon waar ze zich aan moest conformeren (maar, wat ze gelukkig niet altijd deed, getuige onze borrelavond die pas ophield toen de andere ‘5′ – die van de vroege ochtend – op de klok verscheen).

Mijn moeder laat ondertussen steeds vaker doorschemeren dat ze oma wil worden. Maar ik heb al te kennen gegeven dat mijn lieve zusje die wens maar in vervulling moet laten gaan. Luiers verschonen, kinderen naar school brengen, gezond voor ze koken, hun huisdieren verzorgen en pleisters plakken, om maar te zwijgen van het daadwerkelijke opvoeden, maken dat ik hard wil wegrennen voor het ouder worden en de daarbij komende verantwoordelijkheden. Geen saaie IT-baan zodat het gezin een Volvo in de garage heeft staan. Laat mij maar lobbyen voor een betere wereld zonder oorlog en geweld. Waar heel veel blije kindertjes in kunnen opgroeien.

altijd verliefd

ratatouille

Waarom is het zo gemakkelijk om verliefd te worden? Ik word elke dag wel verliefd op iets of iemand. Afgelopen zaterdag bij het uitgaan nam een donkerharige jongedame achter de bar van een Irish pub me zodanig in beslag dat ik me later die avond niet meer voor de geest kon halen wat mijn huisgenote, die met me mee uit was die avond, tegen me gezegd heeft.

Zondag was het mijn zusje die me in de ban hield. Ze was jarig en had van haar ouders een naaimachine gekregen. Van haar broer kreeg ze drie meter stof. Hoewel de kleurtjes en het patroon (of gebrek daaraan) niet helemaal waren wat ze had gehoopt, ging ze er direct mee aan de slag. Aan het eind van haar verjaardag had ze wel zes verschillende constructies in elkaar gezet, allemaal klaar om weer kapot geknaagd te worden door haar gedomesticeerde huisratten. Mijn afkeer voor die knagers is minstens even groot als de liefde van mijn zusje voor die snuffelsnuitjes. Maar vertederd was ik, bij het zien van mijn kleine zusje die de hele dag vol vlijt bezig was met het maken van miniatuurslaapzakjes, -hangmatten en -stoffen bungalowparken voor Ratatouille en kornuiten.

Maandag was het de Oostenrijkse econoom Schumpeter die mijn hart sneller deed kloppen. Voor mijn tentamen deze week moet ik een hoop theorieën van verschillende denkers bestuderen over democratieën. Dan gaat het al gauw over de voordelen, de nadelen en hun beperkingen. Soms stuit je op geniale nieuwe inzichten, maar vaker is het een wetenschappelijke verwoording van je common-sense gevoel. Schumpeters uiterst snobistische verhaal nam me volledig in beslag. Ik had de enfant-terrible voor dit tentamen gevonden! Ik kon nergens anders meer aan denken en verslond zijn ideeën als ware het extra romige chocoladerepen van 300 gram elk.

Dinsdag was ik verliefd op een studiegenoot die me zijn samenvattingen voor ons tentamen doormailde. Woensdag smolt ik tijdens het zien van twee bejaarde mannen die werden geïnterviewd over hun eerste seksuele ervaringen in de documentaire Geloof, seks en (wan)hoop. 50 jaar geleden ging dat allemaal nog zonder seksuele voorlichting. En vandaag ben ik verliefd op de sneeuwvlokken die het straatbeeld veranderen in winterwonderland. Verrukt snuif ik de koude winterlucht naar binnen om als een blij kind weer grote dampwolken uit te spuwen. Laat de vrieskou maar komen! Verliefd worden kan me deze winter niet vaak genoeg overkomen…

Maar zoals wel vaker in de liefde, kun je net zo hard weer van je roze wolk vallen als je erop was gekomen. Bij de kritieken aangekomen, viel Schumpeter keihard door de mand. Ik voelde me dom. Dom omdat ik voor zijn mooie praatjes was gevallen. Hem blind had vertrouwd, zonder kritische toetsing vooraf. Ik besloot – geheel in lijn met voorgaande verwerkingsprocessen – dat het tijd was voor een verwen-strategie. Ik kocht een ticket naar Parijs. Op zoek naar nieuwe liefde. Want hé – als ik het dáár niet vind, vind ik het nergens!

De Tijd

te-laat

Soms glipt de tijd je door de vingers. We willen en moeten zoveel! Opstaan, douchen, aankleden, tanden poetsen, tas inpakken, trein halen, college volgen, studieboeken lezen, sociale contacten niet laten verwateren, boodschappen doen, eten klaarmaken en opeten, het nieuws volgen, je kamer opruimen en liefst ook nog wat ontspannen. Het klinkt bijna onmogelijk in deze drukke tijden. Maar hoe graag ik ook wil denken dat het een vervelend verschijnsel is van de laatste jaren, moet ik dat beeld toch nuanceren. Toen ik vanmiddag in wat lades rommelde, stuitte ik op een zakagenda van mijn grootvader uit 1995. Hij had het niet meer zo heel erg druk op zijn oude dag, getuige zijn aantekeningen. Bij elke dag schreef hij wat het weer voor die dag inhield, soms aangevuld met de uitslag van een voetbalwedstrijd. Hij zat bijna altijd thuis. Ook als mijn grootmoeder naar het vakantiehuisje in Frankrijk ging bleef hij achter. Hij noteerde dan bijvoorbeeld: ‘Gesloten grijs met wisselvallige wind. Onweerachtig zwoel. Geneviève vertrekt om 10u30 naar Croquoison’. Ik blader verder. Af en toe komt er een opgevouwen krantenknipsel te voorschijn bij het omslaan van de bladzijden. Helemaal achterin stuit ik op een vergeeld stukje krant dat hij heeft uitgeknipt en bewaard. Rechtsboven in de hoek heeft hij de datum van uitgifte genoteerd: 19-4-1989, dus c’s zijn nog als k’s geschreven. Het artikel is getiteld ‘De dagen zijn 18 uren te kort’.

‘Natuurlijk heeft niet iedereen kinderen, huisdieren en planten. En iemand die handig is kan tegelijk de hond strelen en de plantjes gieten. Of de krant lezen op de trimfiets. Maar als we het bij één aktiviteit tegelijk houden en we volgen de goede raad van experts, dan hebben we voor al onze aktiviteiten te zamen 42 uur per dag nodig. Geen wonder dat we ’s avonds moe zijn.

Sla een magazine open, luister naar een gezondheidspraatje op de radio, volg de goede raad die je in elke reklamespot meekrijgt en je weet precies hoe je je dag moet indelen. Het Amerikaanse blad Today zette het allemaal op een rijtje:

  • Lichaamsoefening: 30 minuten – bron: het Amerikaanse Instituut voor Onderzoek naar Aerobics.

  • Lichaamsverzorging: 45 minuten – voor mannen: 10 minuten voor een douche, 5 voor scheren, 5 om zich te kleden, 10 om accessoires te kiezen, 10 voor schoenen poetsen en 2 voor een goedkeurende mompel voor de spiegel. Voor vrouwen: 6 minuten onder de douche, 10 voor haardrogen, 5 à 10 voor make-up, 10 voor kleding en nog een paar voor accessoires.

  • Bij de kinderen: 4 uren – dat is een minimum, zegt Maggie Scarf in haar boek ‘Intieme Partners’.

  • Krant: 45 minuten – dat zul je ons niet horen tegenspreken.

  • Huisdieren: 50 minuten – Phyllis Wright van de Amerikaanse dierenbescherming somt op: praten met de kat en een halfuurtje blokje om met de hond. Schoonmaken van het nest is niet inbegrepen.

  • Huishouden: 1 à 2 uren – vaat doen, bedden opmaken, al de rommel van de kinderen aan kant zetten.

  • Werken: 7 tot 10 uren – dat zegt het bureau voor Arbeidsstatistiek. In sommige beroepen gaat dat tot het dubbele.

  • Verplaatsingen: anderhalf uur.

  • Winkelen: tot 2 uur per dag – Maar Phyllis Gillis schrijft in haar boek ‘Ondernemende moeders’ dat die tegelijk de boodschappen van hun kinderen doen.

  • Alledaagse boodschappen: 17 minuten voor mannen, 22 minuten voor vrouwen – dat rekende het Instituut voor Voedselmarketing uit.

  • Koken en eten: 1 uur – en doe er een tweede bij als het lekker of prettig moet zijn.

  • Tandverzorging: 18 minuten – 5 minuten na elke maaltijd, plus drie voor het slapengaan, anders krijg je last met je tandarts.

  • Intimiteit: 50 minuten – seksterapeut dr. David Schnarch raadt aan elke dag met een knuffel van 5 tot 10 minuten in te zetten, 30 sekonden voor een kort liefdesbriefje op de keukentafel, 2 minuten voor een telefoontje na de middag. En dan de echtelijke plichten: 15 minuten voor een voorspel, 15 minuten copulatie en 15 minuten naspel. (’Toegegeven, de meesten van ons doen het met veel minder,’ zegt Schnarch.)

  • Samenzijn met een man of vrouw: 6 uren – dat is ideaal, zegt de Schnarch van hierboven.

  • Vrijwilligerswerk: 30 minuten – minder vindt de Amerikaanse vrijwilligersorganisatie Action a-sociaal.

  • Planten verzorgen: 10 minuten – staat in ‘Biologisch tuinieren’ van Christine Rossell.

  • Tijd voor jezelf: 1 uur – als je het hele programma wilt afwerken, moet dat wel.

  • Een boek lezen: 1 uur – kan gekombineerd worden met een vieruurtje.

  • Geestelijke ontwikkeling: 15 minuten – gebed, meditatie, even aan de bloemen gaan ruiken en naar de sterrenhemel kijken.

  • Slapen: 7 en een half uur – gemiddeld, want de Amerikaanse Raad voor Betere Slaapgewoonten zegt dat 5 uur ook kan, maar 10 evenzeer.

  • Alles samen: zo’n 42 uren. Tips voor tijdwinst: tandenpoetsen onder de douche, al trimmend de boodschappen doen, boterhammetje eten tijdens het naspel, slapen op je werk.

Zoek zelf uit waar jij nog op kunt bezuinigen…

Cowboys

marl2

Vrijdagavond. Ik zit in de trein, op weg naar mijn ouders. Omringd door tassen, jassen, papieren en heel veel andere afleidende materie  zit ik met een studieboek op m’n schoot een hoofdstuk door te nemen voor het essay dat ik volgende week moet inleveren. Schuin tegenover me aan de andere kant van het gangpad zitten vier jongens die aan een stuk door praten. Ik probeer er zo min mogelijk aandacht aan te schenken, maar ik erger me groen en geel. Na een paar minuten kom ik tot de slotsom dat lezen nu toch weinig zin heeft, dus ik besluit aandachtig naar ze te gaan luisteren. En het blijkt nog grappig te zijn ook!

Eén jongen blijkt de gangmaker te zijn. Hij komt voortdurend met volslagen onzin op de proppen. Maar des te grappiger. Zijn vrienden zijn het blijkbaar gewend, want er wordt niet om gelachen. Maar ik besluit een paar van z’n opmerkingen op te schrijven en bij elk woord dat ik van hem overneem gniffel ik, tot ik het op een gegeven moment bijna uitproest van het lachen. En volgens mij heeft hij me door.

‘Als het niets meer wordt met mijn leven ga ik naar een Tibetaans klooster. Lijkt me super chill.’ Zijn vriend negeert hem en zegt: ‘ik voel me fucked up man!’ ‘Je moet gewoon wat gezonder leven. Zoals ik. Ik word morgen zóóó chill wakker. Dat weet jij ook, hoe chill ik morgen wakker word!’ ‘Vroeger jongen, toen hadden ze nog ridders. Dat waren nog eens tijden!’ Zijn – iets minder snuggere – kameraad: ‘En cowboys.’ Een derde corrigeert hem: ‘Die hebben we nog steeds hoor!’ ‘Ja, zoals Clint Eastwood. Of George W. Bush! Dat is ook een cowboy. Ik snap niet dat ie nog president mag blijven tot januari. Da’s echt flauw!’

Ondertussen zitten ze met hun telefoontjes te spelen en onze clown heeft een hese vrouwenstem op z’n mobieltje staan die wanneer hij het maar wil de tijd opnoemt zodat de hele trein het kan horen. ‘Ik denk dat ze echt lekker is, die dat heeft ingesproken. Ik denk dat ze naakt was toen ze het insprak.’

De trein stopt en één van de jongens stapt uit. De clown begint direct over hem te roddelen. ‘Vincent is écht paranoia man. Zelfs bij een stoplicht blijft ie stilstaan tot het echt groen is! Niet eens om mij te fucken. Echt super irritant vind ik dat. Wat vinden jullie?’ De jongen die naast hem zat gaat aan de andere kant van het gangpad zitten, tegen het raam aan. We zitten in een dubbeldekker in de onderste verdieping, dus hij kijkt tegen allemaal langslopende benen aan. Hij pakt een flesje water uit z’n tas en draait de dop er af. ‘Freek, heb je nog wat water? Geef me als-je-blieft een slokje, anders valt m’n mond eraf!’ (drie slokken) ‘Die plek waar jij zit is zó chill. Als je in Amsterdam op die plek zit in de trein op dat station daar waar de HvA zit, kun je zó onder al die rokjes kijken!’ (nog een paar slokken) ‘Nederland heeft echt het allerchillste water. Andere landen doen er allemaal zooi doorheen. Maar Nederland niet. Probeer maar! Proef maar eens een flesje Evian, een Duitse fles en een Nederlandse. De Franse smaakt naar chloor, de Duitse naar poep, en de Nederlandse… naar een stukje hemel. Daarom is het Nederlandse water super chill.’

Intussen staat de trein alweer een poosje stil op station Deventer en Freek krijgt er genoeg van. Hij kijkt naar buiten naar het bord met de vertrektijd van de trein en begint te morren. ‘Fuck wat duurt dat ding lang man!’ (op het bord staat dat de trein om 20 over 12 moet vertrekken) ‘20 over! Hoe laat is het eigenlijk?’ ‘Wil je weten hoe laat het is?!’ Clown pakt zijn telefoon uit z’n broek en houdt hem hoog in de lucht, terwijl een zwoele vrouwenstem in het Engels zegt: ‘twelve twenty-three.’

Even later rijdt de trein weer en Freek komt voor een laatste maal in actie: ‘Gaan er bij aankomst in Zwolle eigenlijk nog wel bussen?’ ‘Gast, weet ik veel. Zwolle is een gat. Ik weet niet of er bussen gaan.’ (korte stilte) ‘Over gaten gesproken! Weet je waar ik laatst was? Ede-Wageningen! Ik was daar op een feestje maar na een uur moest ik alweer weg voor mijn laatste bus.’

Freek zit onderuit gezakt voor zich uit te staren. Hij wordt moe. De andere jongen zegt ook niet zoveel. Maar clown gaat gewoon door, want hij moet nog tot Zwolle.

‘Mijn opa voer op zee. Echt. Hij was iets belangrijks. Dat ie de hele dag op moest letten enzo. Dan kun je echt niet aan de rum ofzo! Dat is echt een vertekend beeld. Rum is iets voor piraten.’ Clown houdt even stil na deze wijze woorden. Om dan gewichtig af te sluiten: ‘Ik zou ook wel op zee willen varen.’

Freek komt weer eventjes tot leven: ‘We zijn nog helemaal niet gecontroleerd!’ Clown haakt er gretig op in: ‘Ik was gister na Zwolle naar Utrecht en van Utrecht naar Amsterdam, van Amsterdam naar Breda, van Breda naar Nijmegen, van Nijmegen naar Arnhem en van Arnhem naar Zwolle. En ik ben niet één keer in die hele dag gecontroleerd!’ (wederom een korte stilte om het zojuist gezegde even te laten bezinken) ‘Shit, ik reis echt veel man! Ik denk dat ik een reisnovelle moet gaan schrijven.’ En hij begint al: ‘Ik kijk uit het raam. Buiten ligt er sneeuw. Voor in de trein zit de machinist. De machinist stoomt door.’ (gniffelende vrienden) ‘De machinist staat symbool voor iets. Voor iets van deze tijd. De consumptiemaatschappij ofzo. En die zorgt ervoor dat de wereld eraan gaat. Dus da’s niet chill. Eigenlijk vind ik de machinist dus helemaal niet tof.’

De andere jongens slapen bijna en Clown leest een paar regels uit zijn boek dat hij bij zich heeft voor hij zich weer opricht: ‘Ik denk dat ik mijn naam ga veranderen in Engelbert.’ De jongens kijken hem meewarig aan. ‘Oh! over treinen gesproken! Toen ik laatst in de trein zat hoorde je dat geruis over de intercom van de machinist weet je wel. En toen na dat pruttelgeluid zei een stem AAaaaaaaaaahhh-mersfoort. Echt vet. Vinden jullie dat niet vet? Ik vond het vet.’

‘tsschhhhhhhhh… goedenavond dames en heren, over enkele ogenblikken naderen wij station Zwolle…’

Zelfmoordboek

strop

Waar moet ik in Godsnaam over schrijven? Gedachten flitsen door mijn kop. Mijn vingers flitsen over het toetsenbord, de ene gedachte na de andere tikkend. Om ze vervolgens even snel weer weg te poetsen met de backspace. Een snelle blik door mijn kamer helpt me verder, want het is hier weeral een bende. Teken dat ik hard met de studie bezig ben. Of met andere dingen. Schilderijtjes maken bijvoorbeeld. ‘Whistler’s Mother’ (van de schilder met de gelijknamige naam) is er niets bij. Of kijken hoe goed de origami-oefeningen van de lagere school zijn blijven hangen door overgebleven servetten van mijn laatste feest om te vormen tot sierlijke zwanen (bijspijkercursus gewenst). Of gewoon dromerig naar de volle maan kijken vanuit mijn raam. Doe ik veel te weinig.

De stapel NRC’s in mijn kamer stapelt zich op zonder dat ik de tijd heb de kranten echt te lezen. Kredietcrisis, Amerikaanse verkiezingen, verkrachtingen in Congo. De koppen komen nog wel enigszins door, maar de achtergronden moeten het ontgelden. Ik zei gisteren tegen een studiegenote dat ik net zo goed De Telegraaf kon gaan lezen. Ondertussen komen de tentamens er weer aan en de laatste essays, papers en werkgroepbijeenkomsten moeten worden voorbereid. Een blik op m’n studieplanning laat al gauw zien dat het weinig zin heeft een inhaalslag te maken: met mijn leestempo moeten mijn etmalen twee keer zo lang duren als de huidige 24 uur die ervoor gegeven is.

Dus wat doe je dan? Je vergeet je studie even. Pure noodzaak. Maar om niet de hele dag te worden lastig gevallen met dat knagende gevoel dat eigenlijk je verdiende straf voor deze strategie is ga je in elk geval iets lezen dat bijdraagt aan je ontwikkeling. In mijn geval Suicide van Durkheim. Ooit een keer terloops in een college genoemd. En dus een geldig excuus. Houd ik mezelf voor. Alleen nog even het verband met politicologie ontdekken. Maar dat is waarschijnlijk slechts een kwestie van tijd. En hoe meer woorden ik onderstreep, hoe meer aantekeningen ik in de kantlijn schrijf, hoe meer ik erin ga geloven. Daar kom ik wel uit. Bovendien: wat heeft het ook voor zin alleen maar met je studie bezig te zijn? Wie wil er nu afstuderen voor zijn dertigste? Waarom zou mijn vader wel twaalf jaar van zijn leven in de collegebanken mogen doorbrengen en ik niet? Als ik onze politici mag geloven zit een pensioen rond je 65ste er toch niet meer in voor ons. Dan nu maar vast een beetje van mijn vrijheid genieten.

Ondertussen gaat het boek overal mee naar toe. Zelfs in de pauzes van de hoorcolleges lees ik in mijn zelfmoordboek. In trein, tram en metro flapper ik met de kaft, in de hoop reacties bij medereizigers te ontlokken. Tot noch toe met weinig succes. Misschien dat Vochtige streken van Charlotte Roche meer effect heeft. Probeer ik wel bij de volgende tentamenronde.

Appel

Voor de spiegel gaan staan met je mond open als je net een hap uit een appel hebt genomen en een paar keer op het stuk appel hebt gekauwd. Dat is leuk! Je ziet allemaal kleurnuances bij elkaar in kleine, grofgevormde stukjes appel. Maar nog wel van elkaar te onderscheiden. Bruut afgescheurde stukjes appelvel en afdrukken van je linkeronderkies met die vulling vermengd met speeksel en een tong die dikker en dunner wordt door een verandering van spierspanning. Ongemerkt, maar door de appelstukjes die erop liggen ineens duidelijk waarneembaar.

Ik was gisteren met Annelies in het SIC, het studenteninformatiecentrum van de Universiteit van Amsterdam. Daar zag ik een advertentie hangen waarin mensen opgeroepen werden te schrijven over hun studentenleven en hun stukje ter beoordeling op te sturen naar een emailadres van ene Ilse. Als ze het leuk vond kwam je op een website terecht en dat mocht je dan op terugkerende basis doen. Leek me leuk.

Maar wat doen studenten zoal? Nou, dit dus. Stukjes kapotgebeten appel in hun mond bekijken. Net als vitamine C bruistabletten bestuderen. Ik haalde er vanochtend een uit de plastic koker, maar hij viel op de grond. En hoewel er genoeg vitamine C vrijkomt als je de pil oplost in een glas water waardoor je weerstand toeneemt, leek het me toch beter deze niet in te nemen. Want de laatste keer dat ik mijn vloer heb gestofzuigd – laat staan gedweild – is alweer enige tijd geleden. En met ‘enige tijd geleden’ bedoel ik ‘enige tijd’ in studentenperceptie. En dan de minder hygiënische student (of is dat een pleonasme?). Want studenten hebben als het goed is wel wat anders aan hun hoofd dan kamers opruimen en schoonmaken.

Dus ik pakte die vitamine bruispil van de grond en legde hem in mijn wasbak. Mijn wasbak moet je weten, heeft vlak naast het afvoerputje een kuiltje waar altijd wat water in staat. Dat komt doordat de kraan er precies boven hangt. En daar druppelt langzaam maar constant wat leidingwater uit. Hoe lang het dat al doet weet ik niet, in elk geval al van voor ik deze kamer heb betrokken. Maar dat doet er niet zoveel toe. Waar het om gaat is dat die druppels bij elkaar opgeteld ervoor gezorgd hebben dat dat putje zich heeft gevormd, vlak voor het afvoerputje dat er precies achter ligt. Het putje was precies groot genoeg voor mijn bruistablet. Ik legde hem er in en hij begon direct te bruisen. Dat vind ik altijd zo zonde als je zo’n ding in een glas water laat vallen. Hij bruist dan ook natuurlijk, met luchtbelletjes die naar het oppervlak bewegen, maar dat is veel minder bijzonder om naar te kijken dan een pil die nèt genoeg water over zich heen krijgt om te gaan sissen en langzaam op te lossen. Bruisend water zien we vaak genoeg: supermarkten hebben er de schappen mee vol staan. Dus ik kijk en luister naar mijn oranje pil die steeds kleiner wordt. De sinas- en abrikozenlucht vult mijn wasbak en ik snuif de dampen met wijdgesperde neusvleugels naar binnen. Heerlijk. Maar het feest is maar van korte duur: de pil is weg voor ik er erg in heb. Ik troost me met de gedachte dat het rioolwater dat onder onze straten doorgaat zich nu in elk geval iets beter kan verweren tegen al die rotzooi die erdoorheen gaat. Weer een goede daad verricht vandaag. En da’s mooi. Want goede daden daar heeft de wereld er nooit genoeg van.

Ik kijk naar mijn appel die ik maar half heb opgegeten en naast me op mijn bureau staat. Dat komt doordat ik tijdens het spiegelkijken op het idee kwam dit stukje te schrijven. De rest van de appel komt daarna wel. Maar hij wordt al bruin! Dat is zo’n vervelende eigenschap van appels. Dat ze zo snel verkleuren. Maar wel symbolisch voor het leven: mooie en lekkere dingen zijn vluchtig van aard. De kunst is dus zoveel mogelijk van het moment te genieten. Uitstel, of proberen het mooie moment te rekken, werkt meestal niet. Hoewel ik gisteren tijdens de pauze van mijn werkgroep van een studente naast me hoorde dat je dat bruinwordingsproces van appels kunt tegengaan door er citroensap overheen te sprenkelen.

Hoe we daarop kwamen? Ze had een hele grote appel voor zich op tafel liggen en ze beklaagde zich erover dat ze die niet op kreeg. Ik vroeg haar waarom ze geen pink lady had gekocht (mijn favoriet). Dat had ze niet gedaan omdat die ook vrij groot waren. Oh ja, dat was je argument, dacht ik. Toen stelde ik voor voortaan braeburn mee te nemen. Maar die vond ze te zuur. En over smaak valt niet te twisten, al schep ik er vaak genoegen in dat toch te proberen. Maar niet vandaag. Toen ik haar vroeg waarom ze dan toch zo’n grote had gekocht verontschuldigde ze zich met het argument dat hij in de bonus was bij Albert Heijn. Ze zag zelf ook wel in dat die bonus niet opwoog tegen het stuk appel dat je noodgedwongen moest laten liggen omdat je het niet op kreeg, maar, behulpzaam als ik ben, gaf ik haar als advies dat ze hem voortaan gewoon in partjes moest snijden zodat ze de hoeveelheid kon doseren. Maar daar kwam het probleem van het bruinwordingsproces om de hoek kijken. En toen noemde zij de citroensaptruc. Handig! Ga ik van mijn leven niet meer vergeten. Maar vandaag heb ik geen citroensap bij de hand. Dus ik ga mijn appel opeten voor hij niet meer om aan te zien is.

Bompa

De vakanties waren altijd het mooist. Dan gingen we naar bompa en mammie, onze Belgische opa en oma in Wemmel, op een heuvel vlakbij Brussel vanwaar je het atomium kon zien. Bij bompa en mammie kwamen we in een andere wereld. De wereld van de kunstenaars, in de breedste zin van het woord. Bompa had altijd de tv aanstaan. Overdag actualiteiten en sport, ’s avonds franse films of Vlaamse grappenmakers in een studio die veel leukere moppen tapten dan de Nederlanders. Ik herinner me nog een franse film waarbij een boot over de Seine door Parijs voer en de bemanning een passagier met bezems dwongen van een uitstaande springplank te springen. Ik vond het heel gemeen van ze en eng voor de passagier. Mijn eerste beeld bij Parijs was gevormd. Daar, voor de tv. Later heb ik Parijs vooral geassocieerd met mooie beelden. Maar dit was de eerste.

Als bompa geen tv keek was hij aan het tekenen, zijn krantje aan het lezen, kruiswoordpuzzels aan het invullen of grote verhalen aan tafel aan het houden met hard gelach en tirades tegen de Verenigde Staten met hun Coca-Cola.

Allemaal mooie beelden. ’s Ochtends vroeg ging bompa het dorp in om zijn gazet te halen. Een wandeling recht door de weilanden in de richting van de kerk. Op zondag maakte hij dezelfde wandeling, maar kwam hij zonder krant terug thuis. Ik besef me nu pas, terwijl ik dit schrijf, dat hij alleen naar de kerk ging. Zonder mammie. Maar thuis aan tafel vloekte hij wel en mammie niet. Vreemd.

Als bompa aan het tekenen was, deed hij dat meestal boven in zijn atelier, aan een tafel die vol met papier en naslagwerken lag. Of tafel: het was een lange houten plank die steunde op houten uitklappoten. In het midden zakte de plank door het gewicht van al het papier altijd een stuk naar beneden. Maar hij heeft het al die tijd overleefd. Achter en naast bompa stonden op richels en vensterbanken allemaal gebruikte potjes oost-indische inkt. Want bompa werkte voornamelijk in zwart-wit. Sporters, blote vrouwen en politici tekende hij. Ik weet nog dat hij mijn vader eens een karikatuur van Wim Kok liet zien en dat ze allebei moesten lachen om de kenmerkende trekken in zijn gezicht. Soms zat bompa aan de eettafel, dan gingen we samen tekenen. Ik tekende mannetjes met bolhoeden en stropdassen, bompa de dingen die ik moeilijk vond. Schoenen, handen, gezichten, politiemannen met pet. Of, zoals hij zei: ‘allee, nen klak op diennen flik z’n kop sè, daar!’. Met een gemak waar ik jaloers van werd. Maar waardoor ik hem ook telkens weer meer ging bewonderen.

Met Kerstmis versierde hij altijd de eettafel met zelfgemaakte tekeningen en kerstboodschappen. Iets waar ik het hele jaar naar uit kon kijken. En dan stond hij de hele dag in de keuken met een grote chefmuts op z’n hoofd om de kreeft en kaviaar klaar te maken en mooi te presenteren. Champagne, bier en wijn. Standaard erbij.

Elke keer dat we weer bij ze waren zei hij hoeveel we wel niet gegroeid waren en vroeg hij naar wat we nu op school leerden. En dan vertelde ik hem enthousiast over de VOC, de ezelsbrug TV-TAS voor de Waddeneilanden of ‘t kofschip. En als we het over school hadden vertelde hij over de lessen die hij gaf als docent tekenen op het Sint Lucas. En over zijn tijd op het reclamebureau. Met etsen die hij had gemaakt voor wasmiddelenfabrikanten waar een burgerlijke moeder met een tandpasta-lach blij de witte was van de waslijn haalde.

Toen ik wat ouder was mocht ik met hem biljarten in de voorkamer. En nog wat later haalde hij de schuiftrombone van zijn vader van het plafond en vroeg me wat te spelen. Hij liet me zien hoe de drukpers werkte en vertelde hoe hij aan alle prullaria was gekomen die hij samen met mammie zijn hele leven had verzameld en bewaard in een glazen kastje in de woonkamer. ‘Musée cu-cu’ hadden ze het kastje genoemd. Vast ook met een achterliggend verhaal. Maar dat heb ik nooit verder uitgezocht. Het ding hing vol met zakhorloges, chiquita-bananenstickers, mokken, pasfoto’s,souvenirs en weet ik wat al niet meer. Maar achter ieder ding ging een verhaal schuil.

Maar hoe ouder ik, en dus ook hij, werd, hoe minder bompa nog tekeningen maakte en hoe minder hij enthousiast vertelde over zijn belevenissen tijdens het wielrennen in Italië (hij had ooit een sigaret aangekregen door hem eenvoudigweg boven de krater van de Vesuvius of de Etna te houden – ik weet nog steeds niet of het waar is of niet), zijn tijd als kunstenaar in Parijs, of zijn reis naar Londen waar hij in geuren en kleuren kon vertellen over de verleidingen van Harrods en de Engelse gewoonte om vis uit een opgerolde krant te eten.

Op een gegeven moment ging hij op zondag niet meer naar de kerk. Nog later haalde hij zelfs niet meer zelf zijn krantje op. Tekeningen maakte hij steeds minder, tv kijken deed hij steeds vaker, zij het met een half oog. Hij sliep veel in zijn blauwe stoel met de kat op schoot. Lopen ging steeds moeizamer. Op den duur kwam er een verpleegster op gezette tijden langs om zijn knieën in te smeren en zo nog een beetje soepel te houden. Dan moesten wij de kamer uit en werd bompa weer iets spraakzamer. Maar op den duur ging ook dat niet meer. Bompa viel steeds vaker en mammie kon hem niet meer overeind helpen. Na de zoveelste valpartij moest bompa naar het ziekenhuis ter observatie. En daarna is hij doorgegaan naar een verzorgingstehuis een paar straten van het atomium af. De eerste keer dat ik hem daar zag herkende ik hem bijna niet meer. Ingevallen wangen, geen baard meer en grote ronde ogen die de kamer in staarden. Een kamer die in de verste verte niks geen overeenkomst of raakvlak had met zijn hele zijn als kunstenaar. Een tweetal steriele, nephouten kasten, naar ziekenhuis stinkende vloeren, plastic bijzettafeltjes en nylon gordijnen voor een raam dat uitzicht bood op een trambaan. Ik besefte me dat bompa zich moest beseffen dat de voorbij rijdende tram het enige bewijs van leven buiten die kamer was die hij zijn laatste dagen nog zou zien. Verder was hij totaal van de buitenwereld afgezonderd. Mammie zocht hem elke dag op voor een praatje en een knuffel, maar bompa werd stiller en stiller.

Met kerst kwamen we nog één keer met de hele familie naar hem toe om samen als vanouds kerst te vieren. Bompa kreeg zijn glas champagne en een drietal oesters, zichtbaar genietend. Maar toen mammie hem de volgende dag vroeg of hij blij was ons allemaal bij elkaar te hebben gezien keek hij haar verbaasd aan. Hij was het alweer vergeten. Een week later was hij dood.

Maar wat bleek? Hij had iedereen voor de gek gehouden. Van de verpleegsters kreeg mammie een stapel tekeningen mee die bompa in z’n laatste dagen nog had gemaakt. Hij had het speelgoed katje getekend dat hij een paar weken daarvoor van ons had gekregen. Met bibberende lijntjes leek het alsof een kind haar had getekend. Maar het was bompa. Tot aan z’n laatste dagen is hij blijven tekenen. Dat is misschien wel de mooiste herinnering die hij me heeft gegeven.

Annelies

Vergeet de zoektocht naar de zoen der zoenen, vergeet Eline uit de trein, vergeet de Praagse romance en de serveerster uit Brugge. Want ik heb een meisje ontmoet. Op een feestje. Een feestje waar er tegenwoordig zo veel van gegeven worden en zo’n feestje waar ik liever niet naartoe ga. Het thema was ‘beach’, de genodigden vrienden en kennissen van studenten die samen een verdieping in een flat deelden. Ik werd gebeld door Gert Jan of ik ook van de partij zou zijn. En omdat ik vorig jaar al ‘nee’ had gezegd en er waarschijnlijk nog wat oud-klasgenoten van de vrije school zouden komen besloot ik dat het dit keer tijd was om er wél bij te zijn. Maar natuurlijk niet in beach-outfit.

Met corduroy jas en stippeldas verscheen ik ten tonele. Ik had nog een zonnebril willen meenemen om te laten zien dat ik niet helemaal een spelbreker wilde zijn, maar zelfs díe was ik vergeten. Redder Gert Jan had er gelukkig nog eentje over.

Kort daarop kwam Lars de trap op. De rest van de avond en nacht hebben we min of meer met z’n tweeën doorgebracht, ver van het feestgedruis. Op de gang, buiten voor de ingang, aan de gracht of slenterend door de woonwijk.

Toen we terug kwamen bleek dat het balkon inmiddels bevolkt werd door interessante mensen. Enigszins onder invloed van enkele alcoholische versnaperingen werd het toch nog een semi-intellectueel feestje. Een student geschiedenis toetste mijn historische kennis door me te vragen naar de presidentsopvolging in de Verenigde Staten, en nog zo wat zaken waarvan ik alweer vergeten ben wat ze waren. Toen ging mijn blik naar de deur die naar de keuken leidde. In de hoek stond een heel mooi meisje dat ik al een paar keer eerder had gezien die avond. Ik vroeg haar of ze vond dat Duyvendak in de Tweede Kamer mocht blijven zitten na zijn bekentenis van de inbraak op het ministerie van Economische Zaken of niet. Ze vond van wel. Zonder verder te vragen naar haar argumentatie besloot ik dat het een goed moment was om samen met haar een nachtelijke wandeling te maken langs een nabijgelegen Amsterdamse gracht waar Sonneveld terecht één van mijn favoriete nummers over heeft gezongen. Maar al tijdens de wandeling merkte ik dat er die avond al veel te veel vodka was gebruikt. We praatten en praatten, en het werd licht. De vogels werden wakker maar wij gingen slapen. Toen Lars en ik de volgende dag weer naar huis gingen ontmoette ik haar weer in de keuken. We zeiden gedag maar keken elkaar net wat te lang in de ogen. ’s Middags heb ik haar gemaild voor een date. En nog geen week later zag ik haar weer in Amsterdam.

Na een etentje in de Haarlemmerstraat waar we allebei veel te zenuwachtig waren zijn we halsoverkop vertrokken in de hoop nog een paar kaartjes te bemachtigen voor een vioolconcert in het concertgebouw wat wonder boven wonder nog lukte ook. De avond begon met progressieve vioolklanken van Césare Franck, die, naar mijn bescheiden mening, terecht door Saint-Saëns werd afgekeurd. Na de pauze echter hoorden we daar de lieflijke kamermuziek van Brahms waar de verliefdheid vanaf vloog. Hoe toepasselijk.

Na het concert hebben we een lange wandeling langs de Amsterdamse grachten gemaakt. Maar de zenuwen bleven en het romantische kus-moment bleef uit. Het centraal station kwam steeds dichterbij en sneller dan me lief was. We keken op de blauwe vertrekborden, maar de trein naar Meppel was al vertrokken. Een belletje naar Simon was genoeg om mezelf te verzekeren van een slaapplek deze nacht, maar direct nadat ik had opgehangen stelde Annelies al voor bij haar te blijven slapen. Samen liepen we langs nog meer Amsterdams water tot we bij een brug kwamen langs het spoor. Rustig hebben we daar gewacht tot ook de laatste trein naar Arnhem voorbij was gereden. We kusten elkaar en ik zei dat we net een stel onzekere pubers waren. We lachten en de spanning gleed langzaam van ons af terwijl we terugliepen naar het centraal station voor haar fiets. Die nacht kwam er van slapen weinig terecht. De volgende ochtend zaten we samen met Gert Jan op het balkon waar het allemaal begonnen was de zaterdag daarvoor.

Die nacht kwam ik hem nog tegen op de gang. Hij vroeg of ik bleef slapen omdat ik de trein had gemist. En eerlijk als ik was antwoorde ik bevestigend op die vraag. Hij liep naar de keuken om thee te zetten en ik verdween in de kamer van Annelies. De volgende ochtend op het balkon werd Gert Jan duidelijk waaróm ik mijn trein had gemist die nacht, en waarom ik niet bij Gert Jan in bed was komen liggen. Sorry Gert Jan, volgende keer beter.

Oudere Berichten »