
Het heeft even geduurd, maar nu is het dan zover: Arend-Jan Boekestijn van de VVD is opgestapt als kamerlid nadat hij zich had uitgelaten over wat er tussen hem en koningin Beatrix is besproken. Hij was even vergeten dat de koningin onschendbaar is, en het feit dat de kamerleden tien jaar niet meer op bezoek mochten komen tot vanavond deed ook geen belletje rinkelen toen hij uit de bus stapte en in de armen van Frits Wester van RTL liep. Een uitglijer van jewelste was het gevolg. En het is niet de eerste keer dat Boekestijn zo’n blunder begaat. Eerder had hij het op Twitter al over ‘spleetogen’ toen hij Chinezen bedoelde: ‘Een van zijn vaste correspondenten had de liberaal gevraagd wie de verschrikkelijkste dictator aller tijden was: Hitler, Stalin of Mao? Boekestijn hield het aantal doden onder Mao’s bewind op veertig miljoen. Een collega-twitteraar meldde dat het aantal Chinese slachtoffers circa 73 miljoen bedroeg. Boekestijn: ‘Ja ik zie wel eens een spleetoog over het hoofd, het zijn er zoveel!’’, aldus de Volkskrant over het incident.
Dat was een jaar nadat hij op ramkoers was geraakt met partijleider Rutte nadat hij in een ogenschijnlijk onbewaakt moment zijn twijfel hardop had uitgesproken over de leiderschapscapaciteiten van laatstgenoemde.
Het leverde de term ‘Boekestijntje’ op, wat zoveel betekent als een ongelooflijk stomme uitglijer maken en daar vervolgens je excuses over aanbieden.
Drie maal is scheepsrecht, moet de beste man gedacht hebben vanavond. Want volgens Rutte en hemzelf was het noch de koningin, noch Rutte die deze beslissing voor hem maakte. Hij hield de eer zogezegd aan zichzelf.
Wat bij mij nog meer vragen oproept dan het feit dat hij überhaupt deel heeft mogen uitmaken van de Tweede Kamerfractie van de VVD is dat hij daarvoor het ambt van hoogleraar heeft mogen vervullen aan de Universiteit Utrecht. Ik mag toch hopen voor zijn studenten dat hij zich daar iets minder ongelukkig wist te presenteren.
Niet echt een mooie reclame voor de universiteit die Sol Iustitiae Illustra Nos (Zon der gerechtigheid verlicht ons) als motto hanteert. De zon is in elk geval tamelijk selectief in het verlichten hebben we mogen vaststellen.
De man die dacht dat de Taliban in Afghanistan sterker zou worden als we er niet een grote invasie zouden houden met duizenden burgerslachtoffers in de ijdele hoop Al Qaeda op te kunnen rollen en een invasie in Irak van 2003 een goed idee vond, net als de van veel wijsheid getuigende ex-president George Bush, maakt natuurlijk geen hele goeie beurt als historicus zijnde.
Hegel werd vierkant in het gelijk gesteld door deze pseudo-intellectueel.
En Trix? Die zal vanavond wel vloekend door het paleis marcheren vanwege haar eigen gebrek aan zonlicht. Dat krijg je met zulke grote huizen. Wat dat betreft heeft haar zoon het slimmer bekeken…
Geplaatst in maatschappij | Leave a Comment »

Vanmiddag kreeg ik een sms van een studiegenoot: ‘ weddenschap: van rompuy, juncker of balkenende’. Hoewel ik me de afgelopen dagen enorm heb lopen ergeren aan de journalisten in Den Haag die elkaar verdrongen om Balkenende voor de weet-ik-hoeveelste keer te vragen of hij nou beschikbaar was voor de functie van de eerste EU-president, vond ik deze weddenschap uitermate amusant.
Direct ben ik gaan googlen op de drie voorgedragen kandidaten. Marc Chavannes in de NRC, de vaste Europa-column in The Economist, krantenberichten van de Belgische krant Het Nieuwsblad en wat dies meer zij.
Aanvankelijk ging ik af op mijn gevoel, want alleen als je dat doet zijn weddenschappen écht leuk. Aanvankelijk althans. Ik smste terug dat ik Juncker de grootste kanshebber achtte. Balkenende leek me al niet meer van toepassing door zijn al te glunderende, kleine jongenstoet na alle ontstane vragen en vermoedens om zijn persoon en mogelijke benoeming.
Hoewel ik weinig weet van de procedures achter gesloten deuren voor kandidaatswervingen zoals deze, hebben verschillende bronnen links en rechts me wel overtuigd van het feit dat je als aspirant-president van de EU een low-profile van jezelf moet houden, waarbij je wijselijk je lippen op elkaar houdt. Dit deed Balkenende aanvankelijk tamelijk goed, zoals hij zijn hele carrière als premier van ons land al niks noemenswaardigs zegt.
Daar kwam nog iets bij. Ik betrapte mezelf erop dat ik bijna boos werd omwille van de gedachte dat onze premier Nederland in de steek zou laten zodra hij gevraagd zou worden om EU-president te worden. Het CDA-raadslid uit Amstelveen dat minister-president werd van maar liefst vier kabinetten sinds 2001 puur en alleen omwille van het feit dat zijn politieke tegenstanders nóg zwakker waren dan hij, zou Nederland tijdens haar zwaarste crisis sinds de jaren ’30 achterlaten zodat hij een prestigieus baantje in Europa zou kunnen bemachtigen.
Als dit onder Kok was gebeurd, zou je denken: juiste man op de juiste plaats. Maar Balkenende had Amstelveen natuurlijk nooit mogen verlaten. Wat zeg ik? Amstelveen was nog te mondain voor deze provinciale goedzak. Dat hij Tweede-Kamerlid kon worden en later zelfs premier, is een loop van de recente geschiedenis waar mijn toch tamelijk ontwikkelde brein (al zeg ik het zelf) nog steeds niet helemaal bij kan.
Hoe het ook zij, meneer werd getipt als kanshebber, en de media bleven hem in een niet aflatende stroom lastigvallen met telkens weer diezelfde vraag: ‘doet ‘ie het of doet ‘ie het niet?’, waarbij mijn minachting voor de Nederlandse pers buitenproportionele vormen begon aan te nemen. Tot deze sms.
In één klap werd het inderdaad een spannende gok en wilde ik met de eer gaan strijken als de uiteindelijke winnaar bekend zou worden gemaakt. En dus ging ik mij verdiepen in de voors en tegens van de genoemde kandidaten.
Op de Ierse goksite Paddy Power stond de Belgische Van Rompuy vanmiddag bovenaan met 6/4. Als je geld op zijn hoofd had ingezet en je voorspelling zou uitkomen, is dat dus anderhalf keer je inzet terug. Tot mijn spijt konden in Nederland woonachtige personen niet meedoen aan de loterij, want de uitkering bij de door mij beoogde kandidaat was een stuk florissanter: 5/1. Nog beter dus dan Blair (4/1), die we intussen wel mogen afschrijven, gezien de traditionele animositeit tussen Groot-Brittannië en het thans door Napoleon Sarkozy geleide Frankrijk. Daar komt bij dat Blair door vrijwel alle sociaal-democraten geminacht wordt omdat de enige reden van zijn lange premierschap in Engeland verklaart kan worden door het afzweren van het socialisme in welke vorm dan ook.
Ik kwam erachter dat Europa geen sterke, charismatische leider zoekt. Europa blijft tenslotte een Frans-Duits speeltje, waar Sarkozy en Merkel vooral de toon moeten bepalen.
Balkenende vormt op dat punt geen bedreiging. Kleurloos als hij is, is het hem gelukt om met zowel de LPF, de VVD, D66, de CU en de PvdA te regeren. Met én zonder parlementaire meerderheid. En hij loopt ook niet zo naast zijn schoenen als de erg met zichzelf ingenomen Maxime Verhagen, die niet kan wachten zijn plaats in te nemen als toekomstig premier van dit land. Staat tegenover dat hem zijn kleurloosheid even hard kan worden tegengeworpen: als er morgen verkiezingen zouden zijn is men hem overmorgen alweer vergeten. En of men in Europa iemand met zo’n nietszeggende uitstraling naar buiten toe wil laten optreden als voorzitter van de Europese Raad is maar de vraag.
Dan is er Belg Van Rompuy. Eveneens een christen-democraat, die bovendien de karaktereigenschap met Balkenende deelt nogal kleurloos te zijn. En even charismatisch is als een stoeptegel. Waardoor ook hij in mijn ogen afvalt. Bovendien zou het toch wel van erg weinig invoelend vermogen getuigen als de ‘selectiecommissie’ van de EU het door crises getergde België haar eerste minister zou ontnemen net nu het eindelijk weer eens een regering hééft?
Blijft over Jean-Claude Juncker van Luxemburg. Mijn favoriet. Hoe vaak hebben we zijn naam de afgelopen dagen horen vallen? Helemaal onbekend is hij niet, maar de ‘yes, I can’-status heeft hij zeker nog niet bereikt. Geheel onterecht natuurlijk.
Puur afgaand op het uiterlijk van deze man wordt al duidelijk dat het een diplomaat is, en een doorgewinterd politicus en zakenman. Hij zwicht niet voor Europese druk om de financiële regels in Groothertogdom Luxemburg aan te passen in tijden van crisis (en waarom zou je ook als je de lieveling bent van alle bankiers van het Noordelijk Halfrond?), wat hem bij Sarkozy weinig geliefd heeft gemaakt. Tegelijkertijd is hij een groot voorstander van een federalistisch Europa, wat hem weer stemmen kost in Engeland.
Dit kan echter op zijn beurt weer een interessant dilemma worden voor Sarkozy, die ik toch als één van de doorslaggevende politieke zwaargewichten zie in dit quasi-Idols-spectakel. Ik denk dat hij de eigengereidheid op economisch vlak van Juncker wel wil tolereren, onder het mom van ‘de vijand van mijn vijand is mijn vriend’. Je bent een Napoleon of je bent het niet.
De president van de Europese Raad mag weliswaar niet boven Sarkozy en Merkel uitsteken, hij mag hen ook niet indirect voor schut zetten. En daarmee vallen de christen-democraten uit de BeNe van Lux af.
Het enige dat nog roet in het eten kan gooien is als mijn blog zo goed gelezen gaat worden dat Juncker de meest besproken naam wordt in deze al te lang durende media-hype.
Geplaatst in maatschappij | Getagged Balkenende, Blair, EU, Europa, gok, Juncker, loterij, Merkel, politiek, president, Sarkozy, Van Rompuy, weddenschap | Leave a Comment »

Met een schok word ik wakker. Ik voel een ruwe hand in mijn nek die mijn gezicht naar beneden duwt. Even later krijg ik in de gaten waarom: alweer een natte neus. Ik word zo te ruiken in een plas urine geduwd door iemand die er niet blij mee is. Dan word ik er vandaan gesleurd, over het gladde zeil naar de achterkant van het huis waar ik zonder pardon buiten word gezet. Ik voel hoe de deur achter me dicht wordt gesmeten, terwijl de kille oostenwind langs mijn rug waait. Rillend probeer ik me te bedenken waarom ik die plas nou weer niet kon ophouden vannacht. Natuurlijk, ik word ouder, dus dat er gebreken zijn is niet zo gek. Maar overdag lukt het me toch ook gewoon?
Binnen wordt steeds vaker over mij geklaagd en ik voel me steeds minder gewenst bij de mensen die ik vroeger zo veel blijdschap heb gegeven. De natte snuit die eigenwijs onder een rustende arm schoof bij de krantenlezer voor ik hem omhoog tikte om met mijn donkerbruine kijkers net zo lang naar de eigenaar ervan te knipperen tot ik een liefkozende aai over mijn kop kreeg of een klopje op mijn rug. Gezellig tegen de bazin aankruipen op de grote bank als ze ’s avonds weer tv ging kijken met mijn hoofd op haar schoot. Iedere bezoeker kwispelend begroeten, en in mijn jonge jaren vaak in combinatie met een vreugdesprongetje. Al die vertederde blikken als het gezin mij meenam naar een zonovergoten terras met allemaal schaars geklede mensen. Mijn lange, natte tong die de benen van het baasje likte en het rennen over de Stouwe achter het huizenblok van de Jan Steen, nadat ik veel te lang op de plaats rust had moeten houden terwijl Mieke en Imaël al commanderend steeds een stapje verder bij me wegliepen tot ik ze bijna niet meer kon horen. Het omsingelen van de koeien die er niks van snapten, vlakbij het kanaal. En wie joeg Ghismo weg als hij weer eens in de tuin zat te poepen? Samen met de glazen water van Imaël waren we een super-duo! Mijn piepende blaf terwijl ik vol spanning klaarstond om te springen naar het koekje dat Imaël steeds net te hoog boven mijn snuit hield. Samen met de familie helemaal naar Frankrijk in de auto. Om daar van de ene nieuwe geurverspreider naar de andere te rennen en nieuwsgierig elke heuvel afspeurend naar nieuwe ontdekkingen. Of die keer bij zee toen het zo had gevroren en ik me helemaal liet gaan over die bevroren golven. Hier en daar een uitglijer maar dat deerde niet. Ik ben waarschijnlijk een van de laatste hondjes in Nederland die een bevroren zee heeft meegemaakt. En al die mooie bossen waar ik de familie kwispelend vooruit ging. Denk je eens in hoeveel ze hadden gemist als ik er niet was geweest!
En thuis voelde ik wanneer ik mijn vrolijkheid even moest laten rusten omdat er iemand verdrietig was. Dan kwam ik voorzichtig even vragen of ik de schouder mocht zijn waarop even kon worden uitgehuild. Hoe vaak hebben ze me niet omhelsd als het ze even te veel werd? Ik was er altijd voor iedereen. Nooit liet ik ze in de steek. Maar nu ben ik te oud en word ik lastig. Ik stoot overal tegenaan en lig de hele dag te slapen. Op de grond. Omdat de bank, waar ik mijn leven lang op heb kunnen liggen nu ineens niet meer mag. Net terwijl ik aan het eind van de herfst van mijn leven aankom en mijn lichaam stram begint te worden.
Ik heb ook heus wel eens stoute dingen gedaan. Maar dat kwam door de verleiding. Als het baasje een hele kaas op tafel had laten staan terwijl ze de kinderen van school ging halen, moest ik daar natuurlijk slim gebruik van maken. Want als ik het van mijn normale maaltijden moest hebben zou mijn leven weinig verrassends voor mij in petto hebben. ’s Ochtends en ’s avonds: het maakte niet uit. Altijd droge brokken. Jarenlang alsmaar die brokken. De katten kregen elke dag een ander smaakje, mals en sappig, want anders wilden ze niet meer. Nooit heb ik geklaagd. Wel af en toe wat hapjes geproefd. Omdat ik wilde leven. Maar nu houdt mijn leven op. En het gekke is dat ik het niet eens door heb. Straks nemen ze me mee op reis. Waarheen? Ik weet het niet. Ik ben immers blind en doof. Vol vertrouwen, en goedgemutst, zoals ik altijd heb gedaan, volg ik ze. Want het was altijd leuk. En wandelen doen we niet zo veel meer tegenwoordig. Mijn plasjes moet ik in de tuin doen. Of op de grond in huis als ze vergeten me zelfs die tuin op te laten zoeken. Maar nu mag ik weer mee. Bestemming onbekend. Ach, in elk geval even weg van thuis. Mijn warme thuis.
Geplaatst in dood | Getagged afscheid, boosheid, dood, onbegrip, verdriet | Leave a Comment »

Ik liep vroeger met een houtje-touwtje jas over het schoolplein. Daar had m’n moeder eigenhandig stoflapjes met romantische roosjes op de zakken gestikt. En van die kanten randjes langs de rits en zakken. Het resultaat van gehaaide onderhandelingen in de kledingzaak tussen mijn moeder en mij. Ik had geaccepteerd dat ik in een houtje-touwtje jas zou gaan lopen, als mijn moeder hem zou verfraaien met verschillende kleurtjes. Na een aanvankelijke schrikreactie bleek het een meesterzet. Want met het dragen van die jas kwamen de oudste meisjes van het laatste jaar naar me toe om me op te tillen en rondjes met me te draaien op het schoolplein. Dat waren de meisjes met beginnende borsten. Na die jas ben ik nooit meer met zoveel gemak bij een mooie-meisjes-boezem in de buurt gekomen…’
Minder leuk was de gymles zoals je hem normaal alleen in je meest duistere nachtmerries beleeft. Mijn moeder stikte namelijk niet alleen rozenstofjes op suffe jaszakken. Ze vond het ook onnodig om ondergoed op kleur te wassen. Zo gebeurde het eens dat mijn witte onderbroeken knalroze waren geworden na een zekere wasbeurt. En ook ik vond het niet zo erg om in roze ondergoed rond te lopen. Bang voor een bezoekje aan de EHBO was ik toen nog niet en ook de zorgen die bij het opgroeiende man-worden horen speelden toen nog geen rol van betekenis.
Zo gebeurde het dat ik op een dinsdagmorgen na het tweede lesuur tot de griezelige ontdekking kwam dat we die dag gymles hadden. Hoe ik dat had kunnen vergeten was ook mij een raadsel, want als ik érgens een hekel aan had in mijn lagere schooltijd dan was het wel aan gym. De uren na de gymles waren altijd hemels: een hele gymloze week in het vooruitzicht. Maar aan het eind van de zondag kwam die gewraakte dag toch weer angstvallig dichtbij en beheerste het vooruitzicht erop mijn gedachten in een zelfde mate als nu een bezoekje aan de kaakchirurg alleen nog weet op te wekken.
Dit keer was de gymles echter aan mijn gedachten voorbij gegaan – waarschijnlijk had ik het te druk met archeoloogje spelen in de grote zandbak waarin onze woonwijk in die dagen was omgetoverd door de gemeentewerkers – waardoor ik die dinsdagochtend tot mijn verbijstering ontdekte dat ik mijn gymspullen niet bij me had. En alsof de gymlessen niet al vervelend genoeg waren had onze gymlerares de strenge eis dat kinderen zonder gymspullen maar in hun onderbroek moesten meedoen. Anders wist ze wel wie er elke week zijn gymspullen thuis zou laten liggen…
Of al mijn onderbroeken in die dagen roze waren weet ik niet meer, maar die dag was het in elk geval raak. Twee uur lang was mijn onderbroek net zo gezond van kleur als mijn roze-rode wangetjes.
De lagere school. Als ik er op terug kijk was dat misschien wel waar ik me het meest druk om heb gemaakt in die zeven lange jaren: mijn kleding en de reacties erop van de schoolgaande kinderen.
Ik had een hele goede kledingsmaak. Maar zó goed, dat ik er niet voor uit durfde te komen. Toen ik de respectabele leeftijd van 7 jaar bereikt had en de kerst naderde, mocht ik een outfit van mijn ouders uitzoeken voor de feestdagen. Vastberaden liep ik direct naar de hoek met de zwarte colbertjes in kindermaat en bijpassende broek, waarmee ik dat jaar bij kerst de toon wist te zetten voor alle jaren die zouden volgen. De laatste keer werd ik door m’n neefje James Bond genoemd. En m’n oma vindt me een dandy. Maar goed, hoe gedistingeerd ook, ik trok ze buiten de privé-sfeer om niet aan. Op school liep ik in mijn scouting-trui (in m’n broek gestopt) en met rode sokken, me van geen kwaad bewust.
Veel schoenen die ik gedragen heb kan ik me niet meer voor de geest halen, maar ik heb een tijd lang met gympen gelopen in alle kleuren van de regenboog waarbij vooral de felroze stippen de aandacht trokken. Niet erg zou je denken, totdat er een meisje uit m’n klas langsliep die precies dezelfde schoenen droeg. De eerste momenten probeerde ik als een echte Brugman aan iedereen uit te leggen dat zij toch echt met jongensschoenen rondliep. Maar helaas was het omgekeerde verhaal uit haar mond voor velen toch geloofwaardiger. Want roze was toen nog niet voor mannen. Of jongetjes.
Een ander schoenenpaar dat me hoofdbrekers heeft bezorgd waren mijn allereerste echte brogues, of, zoals ik ze toen vaak noemde: mijn blauwe gaatjesschoenen. Jarenlang had ik me verlekkerd aan die veel te dure, chique schoenen achter de etalageruiten. En even lang had m’n moeder me te kennen gegeven dat die schoenen belachelijk duur waren en ik het wel kon vergeten daar op rond te lopen zolang ik voor mijn kleding afhankelijk was van de kinderbijslag. Maar uiteindelijk was het me gelukt: ik had m’n moeder beloofd er heel zuinig op te zijn en er nog lang op rond te zullen lopen. Niet geheel ongeloofwaardig na al die jaren van smeekbedes.
Maar toen was het tijd voor de nachtmerrie van mijn moeder: ik heb ze welgeteld één dag gedragen. Vol trots stapte ik als uw favoriete advocaat, politicus of zakenman het schoolplein op in mijn glimmende grote-mensen schoenen. Maar ik had nog geen stap op het plein gezet of de eerste schuine blikken van de ouderejaars had ik al te pakken. Wat er daarna allemaal al of niet tegen me gezegd is weet ik niet meer, maar het was voldoende om me ervan te doordringen dat een tweede dag op die schoenen mijn doodvonnis had betekend. En dus heb ik ze thuis heel diep onder mijn bed verstopt om ze er pas weer onder vandaan te halen toen ik de schoenmaat uitgegroeid was.
Geplaatst in leven | Getagged gymles, kind, nachtmerrie, schoolplein, vroeger | 1 reactie »

‘De spons’, zo noemt mijn moeder mij als ze mij in één beeld moet samenvatten. Bij alles wat ik zag, hoorde, rook of voelde stelde ik vragen en sloeg ik de antwoorden op in mijn bovenkamer. Nuttig of nutteloos, het maakte niet uit. Hoe weet je hoe hoog een grachtenpand aan de Prinsengracht is zonder geavanceerde meetapparatuur of bouwplan? Neem een stok waarvan je de lengte weet (kan ook je eigen lichaam zijn) en bekijk de schaduw. Leg die naast die van het huis en kijk hoe vaak je in de schaduw van het huis past, et voila! Nooit meer wat mee gedaan, maar altijd onthouden.
Ik was zo’n super irritant kind vroeger. Zo’n kind waar ik tegenwoordig een enorme hekel aan heb. Een kind dat ongevraagd en ongegeneerd op welk moment dan ook een vraag stelt. Of een kind dat zonder vragen allemaal dingen wil leren. Door keihard heen en weer te rennen in een drukke ruimte en dan hard te gaan krijsen als het uiteindelijk die onvermijdelijke smak op de grond maakt.
Gisteren had ik een afscheidsfeestje van een oud-klasgenootje waar ik het, na elkaar jaren uit het oog te zijn verloren, weer heel erg goed mee kan vinden. Ze vertrekt binnenkort voor een rondreis door Zuid-Amerika. Met de gepaste hoeveelheid wijn en zelfs een fles champagne en veel hapjes – waaronder een Zuid-Amerikaans aandoende dikke worst – haalden we herinneringen op als deze.
Zij was nadat ze haar studie tot industrieel vormgever had voltooid bij een administratie afdeling aan de slag gegaan, omdat ze het échte werken en het echte leven, waar ze voor opgeleid is, nog even voor zich uit wilde schuiven. Datgene wat ze probeerde te ontvluchten, namelijk het ouder worden, kwam zo echter schrikbarend dichtbij. Niet meer het ontspannen studenten-ritme en de bijhorende intellectuele gesprekken van tijd tot tijd, maar babyluiers, hypotheken en pensioen-opbouw waren de onderwerpen waar ze mee geconfronteerd werd. Om nog maar te zwijgen van het 9-5 patroon waar ze zich aan moest conformeren (maar, wat ze gelukkig niet altijd deed, getuige onze borrelavond die pas ophield toen de andere ‘5′ – die van de vroege ochtend – op de klok verscheen).
Mijn moeder laat ondertussen steeds vaker doorschemeren dat ze oma wil worden. Maar ik heb al te kennen gegeven dat mijn lieve zusje die wens maar in vervulling moet laten gaan. Luiers verschonen, kinderen naar school brengen, gezond voor ze koken, hun huisdieren verzorgen en pleisters plakken, om maar te zwijgen van het daadwerkelijke opvoeden, maken dat ik hard wil wegrennen voor het ouder worden en de daarbij komende verantwoordelijkheden. Geen saaie IT-baan zodat het gezin een Volvo in de garage heeft staan. Laat mij maar lobbyen voor een betere wereld zonder oorlog en geweld. Waar heel veel blije kindertjes in kunnen opgroeien.
Geplaatst in leven | Getagged burgerlijkheid, kind, leven, student, verantwoordelijkheid, volwassenheid | 2 Commentaar »

Waarom is het zo gemakkelijk om verliefd te worden? Ik word elke dag wel verliefd op iets of iemand. Afgelopen zaterdag bij het uitgaan nam een donkerharige jongedame achter de bar van een Irish pub me zodanig in beslag dat ik me later die avond niet meer voor de geest kon halen wat mijn huisgenote, die met me mee uit was die avond, tegen me gezegd heeft.
Zondag was het mijn zusje die me in de ban hield. Ze was jarig en had van haar ouders een naaimachine gekregen. Van haar broer kreeg ze drie meter stof. Hoewel de kleurtjes en het patroon (of gebrek daaraan) niet helemaal waren wat ze had gehoopt, ging ze er direct mee aan de slag. Aan het eind van haar verjaardag had ze wel zes verschillende constructies in elkaar gezet, allemaal klaar om weer kapot geknaagd te worden door haar gedomesticeerde huisratten. Mijn afkeer voor die knagers is minstens even groot als de liefde van mijn zusje voor die snuffelsnuitjes. Maar vertederd was ik, bij het zien van mijn kleine zusje die de hele dag vol vlijt bezig was met het maken van miniatuurslaapzakjes, -hangmatten en -stoffen bungalowparken voor Ratatouille en kornuiten.
Maandag was het de Oostenrijkse econoom Schumpeter die mijn hart sneller deed kloppen. Voor mijn tentamen deze week moet ik een hoop theorieën van verschillende denkers bestuderen over democratieën. Dan gaat het al gauw over de voordelen, de nadelen en hun beperkingen. Soms stuit je op geniale nieuwe inzichten, maar vaker is het een wetenschappelijke verwoording van je common-sense gevoel. Schumpeters uiterst snobistische verhaal nam me volledig in beslag. Ik had de enfant-terrible voor dit tentamen gevonden! Ik kon nergens anders meer aan denken en verslond zijn ideeën als ware het extra romige chocoladerepen van 300 gram elk.
Dinsdag was ik verliefd op een studiegenoot die me zijn samenvattingen voor ons tentamen doormailde. Woensdag smolt ik tijdens het zien van twee bejaarde mannen die werden geïnterviewd over hun eerste seksuele ervaringen in de documentaire Geloof, seks en (wan)hoop. 50 jaar geleden ging dat allemaal nog zonder seksuele voorlichting. En vandaag ben ik verliefd op de sneeuwvlokken die het straatbeeld veranderen in winterwonderland. Verrukt snuif ik de koude winterlucht naar binnen om als een blij kind weer grote dampwolken uit te spuwen. Laat de vrieskou maar komen! Verliefd worden kan me deze winter niet vaak genoeg overkomen…
Maar zoals wel vaker in de liefde, kun je net zo hard weer van je roze wolk vallen als je erop was gekomen. Bij de kritieken aangekomen, viel Schumpeter keihard door de mand. Ik voelde me dom. Dom omdat ik voor zijn mooie praatjes was gevallen. Hem blind had vertrouwd, zonder kritische toetsing vooraf. Ik besloot – geheel in lijn met voorgaande verwerkingsprocessen – dat het tijd was voor een verwen-strategie. Ik kocht een ticket naar Parijs. Op zoek naar nieuwe liefde. Want hé – als ik het dáár niet vind, vind ik het nergens!
Geplaatst in liefde | Getagged rat, ratatouille, Schumpeter, tentamen, uitgaan, verliefd | 3 Commentaar »

Soms glipt de tijd je door de vingers. We willen en moeten zoveel! Opstaan, douchen, aankleden, tanden poetsen, tas inpakken, trein halen, college volgen, studieboeken lezen, sociale contacten niet laten verwateren, boodschappen doen, eten klaarmaken en opeten, het nieuws volgen, je kamer opruimen en liefst ook nog wat ontspannen. Het klinkt bijna onmogelijk in deze drukke tijden. Maar hoe graag ik ook wil denken dat het een vervelend verschijnsel is van de laatste jaren, moet ik dat beeld toch nuanceren. Toen ik vanmiddag in wat lades rommelde, stuitte ik op een zakagenda van mijn grootvader uit 1995. Hij had het niet meer zo heel erg druk op zijn oude dag, getuige zijn aantekeningen. Bij elke dag schreef hij wat het weer voor die dag inhield, soms aangevuld met de uitslag van een voetbalwedstrijd. Hij zat bijna altijd thuis. Ook als mijn grootmoeder naar het vakantiehuisje in Frankrijk ging bleef hij achter. Hij noteerde dan bijvoorbeeld: ‘Gesloten grijs met wisselvallige wind. Onweerachtig zwoel. Geneviève vertrekt om 10u30 naar Croquoison’. Ik blader verder. Af en toe komt er een opgevouwen krantenknipsel te voorschijn bij het omslaan van de bladzijden. Helemaal achterin stuit ik op een vergeeld stukje krant dat hij heeft uitgeknipt en bewaard. Rechtsboven in de hoek heeft hij de datum van uitgifte genoteerd: 19-4-1989, dus c’s zijn nog als k’s geschreven. Het artikel is getiteld ‘De dagen zijn 18 uren te kort’.
‘Natuurlijk heeft niet iedereen kinderen, huisdieren en planten. En iemand die handig is kan tegelijk de hond strelen en de plantjes gieten. Of de krant lezen op de trimfiets. Maar als we het bij één aktiviteit tegelijk houden en we volgen de goede raad van experts, dan hebben we voor al onze aktiviteiten te zamen 42 uur per dag nodig. Geen wonder dat we ’s avonds moe zijn.
Sla een magazine open, luister naar een gezondheidspraatje op de radio, volg de goede raad die je in elke reklamespot meekrijgt en je weet precies hoe je je dag moet indelen. Het Amerikaanse blad Today zette het allemaal op een rijtje:
-
Lichaamsoefening: 30 minuten – bron: het Amerikaanse Instituut voor Onderzoek naar Aerobics.
-
Lichaamsverzorging: 45 minuten – voor mannen: 10 minuten voor een douche, 5 voor scheren, 5 om zich te kleden, 10 om accessoires te kiezen, 10 voor schoenen poetsen en 2 voor een goedkeurende mompel voor de spiegel. Voor vrouwen: 6 minuten onder de douche, 10 voor haardrogen, 5 à 10 voor make-up, 10 voor kleding en nog een paar voor accessoires.
-
Bij de kinderen: 4 uren – dat is een minimum, zegt Maggie Scarf in haar boek ‘Intieme Partners’.
-
Krant: 45 minuten – dat zul je ons niet horen tegenspreken.
-
Huisdieren: 50 minuten – Phyllis Wright van de Amerikaanse dierenbescherming somt op: praten met de kat en een halfuurtje blokje om met de hond. Schoonmaken van het nest is niet inbegrepen.
-
Huishouden: 1 à 2 uren – vaat doen, bedden opmaken, al de rommel van de kinderen aan kant zetten.
-
Werken: 7 tot 10 uren – dat zegt het bureau voor Arbeidsstatistiek. In sommige beroepen gaat dat tot het dubbele.
-
Verplaatsingen: anderhalf uur.
-
Winkelen: tot 2 uur per dag – Maar Phyllis Gillis schrijft in haar boek ‘Ondernemende moeders’ dat die tegelijk de boodschappen van hun kinderen doen.
-
Alledaagse boodschappen: 17 minuten voor mannen, 22 minuten voor vrouwen – dat rekende het Instituut voor Voedselmarketing uit.
-
Koken en eten: 1 uur – en doe er een tweede bij als het lekker of prettig moet zijn.
-
Tandverzorging: 18 minuten – 5 minuten na elke maaltijd, plus drie voor het slapengaan, anders krijg je last met je tandarts.
-
Intimiteit: 50 minuten – seksterapeut dr. David Schnarch raadt aan elke dag met een knuffel van 5 tot 10 minuten in te zetten, 30 sekonden voor een kort liefdesbriefje op de keukentafel, 2 minuten voor een telefoontje na de middag. En dan de echtelijke plichten: 15 minuten voor een voorspel, 15 minuten copulatie en 15 minuten naspel. (‘Toegegeven, de meesten van ons doen het met veel minder,’ zegt Schnarch.)
-
Samenzijn met een man of vrouw: 6 uren – dat is ideaal, zegt de Schnarch van hierboven.
-
Vrijwilligerswerk: 30 minuten – minder vindt de Amerikaanse vrijwilligersorganisatie Action a-sociaal.
-
Planten verzorgen: 10 minuten – staat in ‘Biologisch tuinieren’ van Christine Rossell.
-
Tijd voor jezelf: 1 uur – als je het hele programma wilt afwerken, moet dat wel.
-
Een boek lezen: 1 uur – kan gekombineerd worden met een vieruurtje.
-
Geestelijke ontwikkeling: 15 minuten – gebed, meditatie, even aan de bloemen gaan ruiken en naar de sterrenhemel kijken.
-
Slapen: 7 en een half uur – gemiddeld, want de Amerikaanse Raad voor Betere Slaapgewoonten zegt dat 5 uur ook kan, maar 10 evenzeer.
-
Alles samen: zo’n 42 uren. Tips voor tijdwinst: tandenpoetsen onder de douche, al trimmend de boodschappen doen, boterhammetje eten tijdens het naspel, slapen op je werk.
Zoek zelf uit waar jij nog op kunt bezuinigen…
Geplaatst in maatschappij | Getagged advies, heden, stress, tijd, vroeger | Leave a Comment »
Vrijdagavond. Ik zit in de trein, op weg naar mijn ouders. Omringd door tassen, jassen, papieren en heel veel andere afleidende materie zit ik met een studieboek op m’n schoot een hoofdstuk door te nemen voor het essay dat ik volgende week moet inleveren. Schuin tegenover me aan de andere kant van het gangpad zitten vier jongens die aan een stuk door praten. Ik probeer er zo min mogelijk aandacht aan te schenken, maar ik erger me groen en geel. Na een paar minuten kom ik tot de slotsom dat lezen nu toch weinig zin heeft, dus ik besluit aandachtig naar ze te gaan luisteren. En het blijkt nog grappig te zijn ook!
Eén jongen blijkt de gangmaker te zijn. Hij komt voortdurend met volslagen onzin op de proppen. Maar des te grappiger. Zijn vrienden zijn het blijkbaar gewend, want er wordt niet om gelachen. Maar ik besluit een paar van z’n opmerkingen op te schrijven en bij elk woord dat ik van hem overneem gniffel ik, tot ik het op een gegeven moment bijna uitproest van het lachen. En volgens mij heeft hij me door.
‘Als het niets meer wordt met mijn leven ga ik naar een Tibetaans klooster. Lijkt me super chill.’ Zijn vriend negeert hem en zegt: ‘ik voel me fucked up man!’ ‘Je moet gewoon wat gezonder leven. Zoals ik. Ik word morgen zóóó chill wakker. Dat weet jij ook, hoe chill ik morgen wakker word!’ ‘Vroeger jongen, toen hadden ze nog ridders. Dat waren nog eens tijden!’ Zijn – iets minder snuggere – kameraad: ‘En cowboys.’ Een derde corrigeert hem: ‘Die hebben we nog steeds hoor!’ ‘Ja, zoals Clint Eastwood. Of George W. Bush! Dat is ook een cowboy. Ik snap niet dat ie nog president mag blijven tot januari. Da’s echt flauw!’
Ondertussen zitten ze met hun telefoontjes te spelen en onze clown heeft een hese vrouwenstem op z’n mobieltje staan die wanneer hij het maar wil de tijd opnoemt zodat de hele trein het kan horen. ‘Ik denk dat ze echt lekker is, die dat heeft ingesproken. Ik denk dat ze naakt was toen ze het insprak.’
De trein stopt en één van de jongens stapt uit. De clown begint direct over hem te roddelen. ‘Vincent is écht paranoia man. Zelfs bij een stoplicht blijft ie stilstaan tot het echt groen is! Niet eens om mij te fucken. Echt super irritant vind ik dat. Wat vinden jullie?’ De jongen die naast hem zat gaat aan de andere kant van het gangpad zitten, tegen het raam aan. We zitten in een dubbeldekker in de onderste verdieping, dus hij kijkt tegen allemaal langslopende benen aan. Hij pakt een flesje water uit z’n tas en draait de dop er af. ‘Freek, heb je nog wat water? Geef me als-je-blieft een slokje, anders valt m’n mond eraf!’ (drie slokken) ‘Die plek waar jij zit is zó chill. Als je in Amsterdam op die plek zit in de trein op dat station daar waar de HvA zit, kun je zó onder al die rokjes kijken!’ (nog een paar slokken) ‘Nederland heeft echt het allerchillste water. Andere landen doen er allemaal zooi doorheen. Maar Nederland niet. Probeer maar! Proef maar eens een flesje Evian, een Duitse fles en een Nederlandse. De Franse smaakt naar chloor, de Duitse naar poep, en de Nederlandse… naar een stukje hemel. Daarom is het Nederlandse water super chill.’
Intussen staat de trein alweer een poosje stil op station Deventer en Freek krijgt er genoeg van. Hij kijkt naar buiten naar het bord met de vertrektijd van de trein en begint te morren. ‘Fuck wat duurt dat ding lang man!’ (op het bord staat dat de trein om 20 over 12 moet vertrekken) ‘20 over! Hoe laat is het eigenlijk?’ ‘Wil je weten hoe laat het is?!’ Clown pakt zijn telefoon uit z’n broek en houdt hem hoog in de lucht, terwijl een zwoele vrouwenstem in het Engels zegt: ‘twelve twenty-three.’
Even later rijdt de trein weer en Freek komt voor een laatste maal in actie: ‘Gaan er bij aankomst in Zwolle eigenlijk nog wel bussen?’ ‘Gast, weet ik veel. Zwolle is een gat. Ik weet niet of er bussen gaan.’ (korte stilte) ‘Over gaten gesproken! Weet je waar ik laatst was? Ede-Wageningen! Ik was daar op een feestje maar na een uur moest ik alweer weg voor mijn laatste bus.’
Freek zit onderuit gezakt voor zich uit te staren. Hij wordt moe. De andere jongen zegt ook niet zoveel. Maar clown gaat gewoon door, want hij moet nog tot Zwolle.
‘Mijn opa voer op zee. Echt. Hij was iets belangrijks. Dat ie de hele dag op moest letten enzo. Dan kun je echt niet aan de rum ofzo! Dat is echt een vertekend beeld. Rum is iets voor piraten.’ Clown houdt even stil na deze wijze woorden. Om dan gewichtig af te sluiten: ‘Ik zou ook wel op zee willen varen.’
Freek komt weer eventjes tot leven: ‘We zijn nog helemaal niet gecontroleerd!’ Clown haakt er gretig op in: ‘Ik was gister na Zwolle naar Utrecht en van Utrecht naar Amsterdam, van Amsterdam naar Breda, van Breda naar Nijmegen, van Nijmegen naar Arnhem en van Arnhem naar Zwolle. En ik ben niet één keer in die hele dag gecontroleerd!’ (wederom een korte stilte om het zojuist gezegde even te laten bezinken) ‘Shit, ik reis echt veel man! Ik denk dat ik een reisnovelle moet gaan schrijven.’ En hij begint al: ‘Ik kijk uit het raam. Buiten ligt er sneeuw. Voor in de trein zit de machinist. De machinist stoomt door.’ (gniffelende vrienden) ‘De machinist staat symbool voor iets. Voor iets van deze tijd. De consumptiemaatschappij ofzo. En die zorgt ervoor dat de wereld eraan gaat. Dus da’s niet chill. Eigenlijk vind ik de machinist dus helemaal niet tof.’
De andere jongens slapen bijna en Clown leest een paar regels uit zijn boek dat hij bij zich heeft voor hij zich weer opricht: ‘Ik denk dat ik mijn naam ga veranderen in Engelbert.’ De jongens kijken hem meewarig aan. ‘Oh! over treinen gesproken! Toen ik laatst in de trein zat hoorde je dat geruis over de intercom van de machinist weet je wel. En toen na dat pruttelgeluid zei een stem AAaaaaaaaaahhh-mersfoort. Echt vet. Vinden jullie dat niet vet? Ik vond het vet.’
‘tsschhhhhhhhh… goedenavond dames en heren, over enkele ogenblikken naderen wij station Zwolle…’
Geplaatst in leven | Getagged clown, Engelbert, jongen, straat, trein | 2 Commentaar »
Waar moet ik in Godsnaam over schrijven? Gedachten flitsen door mijn kop. Mijn vingers flitsen over het toetsenbord, de ene gedachte na de andere tikkend. Om ze vervolgens even snel weer weg te poetsen met de backspace. Een snelle blik door mijn kamer helpt me verder, want het is hier weeral een bende. Teken dat ik hard met de studie bezig ben. Of met andere dingen. Schilderijtjes maken bijvoorbeeld. ‘Whistler’s Mother’ (van de schilder met de gelijknamige naam) is er niets bij. Of kijken hoe goed de origami-oefeningen van de lagere school zijn blijven hangen door overgebleven servetten van mijn laatste feest om te vormen tot sierlijke zwanen (bijspijkercursus gewenst). Of gewoon dromerig naar de volle maan kijken vanuit mijn raam. Doe ik veel te weinig.
De stapel NRC’s in mijn kamer stapelt zich op zonder dat ik de tijd heb de kranten echt te lezen. Kredietcrisis, Amerikaanse verkiezingen, verkrachtingen in Congo. De koppen komen nog wel enigszins door, maar de achtergronden moeten het ontgelden. Ik zei gisteren tegen een studiegenote dat ik net zo goed De Telegraaf kon gaan lezen. Ondertussen komen de tentamens er weer aan en de laatste essays, papers en werkgroepbijeenkomsten moeten worden voorbereid. Een blik op m’n studieplanning laat al gauw zien dat het weinig zin heeft een inhaalslag te maken: met mijn leestempo moeten mijn etmalen twee keer zo lang duren als de huidige 24 uur die ervoor gegeven is.
Dus wat doe je dan? Je vergeet je studie even. Pure noodzaak. Maar om niet de hele dag te worden lastig gevallen met dat knagende gevoel dat eigenlijk je verdiende straf voor deze strategie is ga je in elk geval iets lezen dat bijdraagt aan je ontwikkeling. In mijn geval Suicide van Durkheim. Ooit een keer terloops in een college genoemd. En dus een geldig excuus. Houd ik mezelf voor. Alleen nog even het verband met politicologie ontdekken. Maar dat is waarschijnlijk slechts een kwestie van tijd. En hoe meer woorden ik onderstreep, hoe meer aantekeningen ik in de kantlijn schrijf, hoe meer ik erin ga geloven. Daar kom ik wel uit. Bovendien: wat heeft het ook voor zin alleen maar met je studie bezig te zijn? Wie wil er nu afstuderen voor zijn dertigste? Waarom zou mijn vader wel twaalf jaar van zijn leven in de collegebanken mogen doorbrengen en ik niet? Als ik onze politici mag geloven zit een pensioen rond je 65ste er toch niet meer in voor ons. Dan nu maar vast een beetje van mijn vrijheid genieten.
Geplaatst in leven | Getagged boeken, Durkheim, lezen, studeren, tentamen, verveling, zelfmoord | Leave a Comment »
Voor de spiegel gaan staan met je mond open als je net een hap uit een appel hebt genomen en een paar keer op het stuk appel hebt gekauwd. Dat is leuk! Je ziet allemaal kleurnuances bij elkaar in kleine, grofgevormde stukjes appel. Maar nog wel van elkaar te onderscheiden. Bruut afgescheurde stukjes appelvel en afdrukken van je linkeronderkies met die vulling vermengd met speeksel en een tong die dikker en dunner wordt door een verandering van spierspanning. Ongemerkt, maar door de appelstukjes die erop liggen ineens duidelijk waarneembaar.
Ik was gisteren met Annelies in het SIC, het studenteninformatiecentrum van de Universiteit van Amsterdam. Daar zag ik een advertentie hangen waarin mensen opgeroepen werden te schrijven over hun studentenleven en hun stukje ter beoordeling op te sturen naar een emailadres van ene Ilse. Als ze het leuk vond kwam je op een website terecht en dat mocht je dan op terugkerende basis doen. Leek me leuk.
Maar wat doen studenten zoal? Nou, dit dus. Stukjes kapotgebeten appel in hun mond bekijken. Net als vitamine C bruistabletten bestuderen. Ik haalde er vanochtend een uit de plastic koker, maar hij viel op de grond. En hoewel er genoeg vitamine C vrijkomt als je de pil oplost in een glas water waardoor je weerstand toeneemt, leek het me toch beter deze niet in te nemen. Want de laatste keer dat ik mijn vloer heb gestofzuigd – laat staan gedweild – is alweer enige tijd geleden. En met ‘enige tijd geleden’ bedoel ik ‘enige tijd’ in studentenperceptie. En dan de minder hygiënische student (of is dat een pleonasme?). Want studenten hebben als het goed is wel wat anders aan hun hoofd dan kamers opruimen en schoonmaken.
Dus ik pakte die vitamine bruispil van de grond en legde hem in mijn wasbak. Mijn wasbak moet je weten, heeft vlak naast het afvoerputje een kuiltje waar altijd wat water in staat. Dat komt doordat de kraan er precies boven hangt. En daar druppelt langzaam maar constant wat leidingwater uit. Hoe lang het dat al doet weet ik niet, in elk geval al van voor ik deze kamer heb betrokken. Maar dat doet er niet zoveel toe. Waar het om gaat is dat die druppels bij elkaar opgeteld ervoor gezorgd hebben dat dat putje zich heeft gevormd, vlak voor het afvoerputje dat er precies achter ligt. Het putje was precies groot genoeg voor mijn bruistablet. Ik legde hem er in en hij begon direct te bruisen. Dat vind ik altijd zo zonde als je zo’n ding in een glas water laat vallen. Hij bruist dan ook natuurlijk, met luchtbelletjes die naar het oppervlak bewegen, maar dat is veel minder bijzonder om naar te kijken dan een pil die nèt genoeg water over zich heen krijgt om te gaan sissen en langzaam op te lossen. Bruisend water zien we vaak genoeg: supermarkten hebben er de schappen mee vol staan. Dus ik kijk en luister naar mijn oranje pil die steeds kleiner wordt. De sinas- en abrikozenlucht vult mijn wasbak en ik snuif de dampen met wijdgesperde neusvleugels naar binnen. Heerlijk. Maar het feest is maar van korte duur: de pil is weg voor ik er erg in heb. Ik troost me met de gedachte dat het rioolwater dat onder onze straten doorgaat zich nu in elk geval iets beter kan verweren tegen al die rotzooi die erdoorheen gaat. Weer een goede daad verricht vandaag. En da’s mooi. Want goede daden daar heeft de wereld er nooit genoeg van.
Ik kijk naar mijn appel die ik maar half heb opgegeten en naast me op mijn bureau staat. Dat komt doordat ik tijdens het spiegelkijken op het idee kwam dit stukje te schrijven. De rest van de appel komt daarna wel. Maar hij wordt al bruin! Dat is zo’n vervelende eigenschap van appels. Dat ze zo snel verkleuren. Maar wel symbolisch voor het leven: mooie en lekkere dingen zijn vluchtig van aard. De kunst is dus zoveel mogelijk van het moment te genieten. Uitstel, of proberen het mooie moment te rekken, werkt meestal niet. Hoewel ik gisteren tijdens de pauze van mijn werkgroep van een studente naast me hoorde dat je dat bruinwordingsproces van appels kunt tegengaan door er citroensap overheen te sprenkelen.
Hoe we daarop kwamen? Ze had een hele grote appel voor zich op tafel liggen en ze beklaagde zich erover dat ze die niet op kreeg. Ik vroeg haar waarom ze geen pink lady had gekocht (mijn favoriet). Dat had ze niet gedaan omdat die ook vrij groot waren. Oh ja, dat was je argument, dacht ik. Toen stelde ik voor voortaan braeburn mee te nemen. Maar die vond ze te zuur. En over smaak valt niet te twisten, al schep ik er vaak genoegen in dat toch te proberen. Maar niet vandaag. Toen ik haar vroeg waarom ze dan toch zo’n grote had gekocht verontschuldigde ze zich met het argument dat hij in de bonus was bij Albert Heijn. Ze zag zelf ook wel in dat die bonus niet opwoog tegen het stuk appel dat je noodgedwongen moest laten liggen omdat je het niet op kreeg, maar, behulpzaam als ik ben, gaf ik haar als advies dat ze hem voortaan gewoon in partjes moest snijden zodat ze de hoeveelheid kon doseren. Maar daar kwam het probleem van het bruinwordingsproces om de hoek kijken. En toen noemde zij de citroensaptruc. Handig! Ga ik van mijn leven niet meer vergeten. Maar vandaag heb ik geen citroensap bij de hand. Dus ik ga mijn appel opeten voor hij niet meer om aan te zien is.
Geplaatst in leven | Getagged appel, leven, nieuwsgierig, onderzoek vitamine C, vermaak, verveling | 2 Commentaar »


