
De trein naar Arnhem van 16.30u vanaf Amsterdam Amstel. Een Engelsman vraagt een wachtende reiziger of de aankomende trein op Duivendrecht stopt. De man denkt dat de trein pas weer in Utrecht stopt maar twijfelt. Ik stap op hen af. Deze trein stopt pas weer op Utrecht en ik adviseer de Engelsman dat hij beter de metro kan nemen.
De trein is inmiddels het station binnen komen rollen. Ik ga – bij hoge uitzondering – beneden in de dubbeldekker zitten. En nog uitzonderlijker: onbekende reizigers praten met elkaar. Een Amerikaan spreekt een man tegenover hem aan. De man die net met de Engelsman in gesprek was op het perron. (Hij krijgt z’n portie Engels wel vandaag.) Het is een man in leren jas met das en een glasbril op z’n neus. Opvallende combinatie, dacht ik nog. Leren jas met das en glasbril. Maar vooral die stropdas. Niet raar voor een rechercheur, maar deze man deed iets juridisch, zo vernam ik uit het gesprek dat naast mij gevoerd werd. Wel leuk, zo viel hij tenminste op tussen al die andere zakenmensen die zich dagelijks op het Amstel-station verzamelen. De Amerikaan was net terug van een vakantie in Turkije en vertelde over de nationale opwinding daar rondom het EK-voetbal.
Tegenover me zat een wat oudere vrouw die zich met het tweetal ging bemoeien: ze wist niet goed of ze zaterdag voor Nederland of Rusland moest zijn. Want Rusland was ook wel een beetje Nederland met Hiddink als coach. De trein remt. En verdomd! Hij stopt vandaag wél op Duivendrecht. De man in leren jas en ik kijken elkaar verschrikt en een beetje verontschuldigend aan. Er stond toch écht op het bord boven het perron dat het eerstvolgende station Utrecht CS zou zijn. Nou ja. De deuren gaan open en er komt een mooi meisje tegenover me zitten. Volgens mij heb ik haar al eens eerder gezien. De oudere vrouw begint met het meisje te praten. Ze betrekt haar in het voetbal-verhaal. En het meisje gaat er heel vrolijk en enthousiast op in. Waarom zijn de treinreizen niet wat vaker zoals vandaag? Het vrouwtje is grappig en het mooie meisje en ik moeten zo nu en dan om haar lachen. Er worden wat twinkel-oogblikken over en weer uitgewisseld tussen het mooie meisje en mij. Maar de oude vrouw praat wel heel erg veel. En luistert weinig. Het mooie meisje vindt dat het mooi is geweest en vraagt de vrouw of ze de spits die naast haar ligt misschien mag lezen. De vrouw zoekt snel de puzzelpagina van het krantje op en begint de sudoku er uit te scheuren. Want daar was ze nog mee bezig.
Mijn nieuwsgierigheid slaat toe. Zou het leuke meisje interesse hebben in een krant die méér biedt dan alleen het ANP en de nieuwste roddels? Ik besluit de proef op de som te nemen en biedt haar mijn NRC aan. Ze bedankt me met een nieuwe betoverende glimlach. Dit is méér dan de krant aangeven! Ik krijg het warm. Ik wil aan de noodrem trekken, haar hand beetpakken en haar mee de weilanden in trekken en haar het hemd van het lijf vragen. Wie zit er achter dit aantrekkelijke leuke meisje? Hoe zou ze heten? Wat zou ze doen? Waar gaat ze heen? Wat denkt ze van mij? Wat flitst er door haar hoofd als ze me lachend aankijkt? Wat vraagt ze zich nu af?
Ik vóel dat we eigenlijk met elkaar willen praten maar het niet doen. Misschien omdat onbeantwoorde vragen eigenlijk veel leuker zijn: je verzint je eigen verhaal. We naderen Utrecht. Ik vraag me af of ze de NRC daadwerkelijk aan het lezen is. Met bibberende hand haal ik mijn agenda uit m’n tas en ik scheur er een notitieblaadje uit. Het kan niet zo zijn dat de trein zo stopt in Utrecht en ze zó de trein uitstapt zonder dat we elkaar ook maar íets gezegd hebben. Straks zie ik haar nooit meer terug! En hoe moet het dan met al die vragen? Ik schrijf snel iets op. Weet niet meer precies wat. Verfrommel het blaadje, want het lijkt nergens naar. Begin opnieuw. En ook die is het nog niet helemaal. Maar bij het derde briefje vind ik hem goed.
Ik word steeds zenuwachtiger en heb het idee dat iedereen om me heen door heeft wat ik aan het doen ben. Volgens mij heeft ook het meisje allang door dat ik een briefje voor haar schrijf. We rijden Utrecht binnen, en inderdaad: ze maakt aanstalte richting de deur te lopen. Snel geef ik haar mijn tot piepklein papiertje opgevouwen berichtje mee. En wéér die lach! Haar ogen verraden dat ze het inderdaad al in de gaten had. Maar ze neemt het briefje aan en loopt de wagon uit. Ik had verwacht dat de oude vrouw er wel wat van zou zeggen. Of anders de meneer tegenover me wel. Met z’n leren jas. Maar het gesprek gaat over andere dingen. Ik weet al niet meer wat. Het ouwe mensje bleef maar doorbabbelen. Ik hoop alleen maar dat ik een berichtje terug krijg. Eenmaal thuis kan ik aan niets anders meer denken. Mijn maag kriebelt en ik kijk de hele tijd naar mijn telefoon. He-le-maal niks! Ik wacht tot het 5 over 6 is, want ze zei dat ze naar Meppel moest. En haar trein moest ongeveer rond die tijd aankomen als ze direct door zou gaan vanaf Utrecht. Mooie bedenktijd voor een berichtje terug dacht ik. Utrecht – Meppel. Maar nog steeds niks. Ik had misschien ook gewoon mee moeten gaan naar Meppel. Dan hadden we tenminste met z’n tweeën kunnen praten zonder die kletsmajoor naast ons. Anderhalf uur lang. Enfin, ik probeer het los te laten; ze zal wel een vriend hebben en me zo snel mogelijk willen vergeten.
Maar de volgende dag gaat mijn telefoon: een berichtje! Ze heet Eline! Ik had zelf nog geen naam bij haar verschijning bedacht, maar Eline past perfect. Wat leuk dat ze me wat terug stuurt! Zou die nieuwsgierigheid dan toch wederzijds zijn? Het eerste sms-je bevat al meteen een vraag en haar enthousiasme lees je dwars door de letters van het berichtje heen. Het staat vol uitroeptekens. Maar inderdaad: ze heeft een vriend. Was dit het dan? Ik wacht af…