Aankomst met de bus in Praag op Florenc. Veel te vroeg. Vijf uur ’s ochtends ofzo. Daar staat ze. Als een charmante Française. Het haar bijeen gehouden door een bruine speld, in haar oren twee parels omringd met een zilveren versiering. Om haar vrouwelijke lichaam een getailleerde, zandkleurige regenjas met ceintuur en aan haar voetjes een paar suède muiltjes van bruin en roze. We lachen verliefd naar elkaar zodra ze me ziet zitten in de bus. Ik spring de bus uit en omhels haar. Oh, die blije verliefde ogen! Alleen díe weer zien maken de lange vervelende busreis al de moeite waard. We gaan de trappen af richting de metro, op weg naar haar kamer aan de rand van Praag.
Wat duurt die metro-rit lang! We staan op springen allebei, terwijl de rest van Praag net wakker begint te worden en zich voorbereid op een nieuwe werkdag. Eindelijk halte Chodov. Zodra we uitstappen waait de ijzige winterwind van de gangenstelsels naar beneden door onze haren. Ik druk Jarka dicht tegen me aan en pak haar hand, die ik tegen m’n borst houd. Buiten sneeuwt het. De rood-witte bus stopt en de deuren gaan open. Vrouwen met dikke bontjassen en – mutsen tot over hun oren stappen één voor één in, en met een hard loeiende motor trekt de bus op door de dikke laag bijna zwart geworden sneeuw.
We stappen uit bij de economische faculteit waar de studentenflats direct naast staan. En het is écht aan de rand van Praag. Als ik voorbij haar flat kijk, zie ik alleen nog groene heuvels en een electriciteitsnet dat naar de horizon loopt.
In de flat moet ik onwillekeurig aan Anna Politkovskaja denken. De vermoorde journaliste uit Rusland. Een donkere gang met hier en daar wat knipperende tl-balken verdwijnt in het duister. Ideale plek om een journaliste dood te schieten denk ik nog. Ik kan er niks aan doen. Vreemd genoeg voel ik een apart soort opwinding bij die gedachte. Ik ben weer in Oost-Europa! Donkere gangen en échte sneeuw in plaats van de miezerige hoeveelheden die we in Nederland hebben – als er al wat valt – en een taal waar ik absoluut niets mee kan maar die me bij het horen of lezen ervan verliefd maakt op dit land.
We stappen in een oude, krappe lift met ouderwetse klapdeurtjes. Heel gaaf! En korte tijd later gaan we haar kamer binnen. Ik plof neer op het bed, moe van de busreis en het gebrek aan slaap. Maar veel tijd om uit te rusten krijg ik niet: ze komt naast me liggen en knoopt langzaam maar vastberaden m’n blouse open terwijl ze me met haar twinkeloogjes recht in m’n gezicht kijkt…
Uren gaan voorbij en van het aanvankelijke plan om ’s avonds arm in arm langs de Moldau te slenteren komt niks meer terecht. We zijn kapot. We hadden ons nog zó voorgenomen het dit keer anders te doen. Want zo gaat het elke keer als we elkaar na een maand of twee weer zien. De eerste twee dagen komen we de kamer niet uit. Niet eens om wat te eten.
Maar daarna gaan we Praag in. De stad die Parijs voor mij in de schaduw stelt als het gaat over de liefde en de romantiek. De stad ook, die maakt dat het thuisfront me niet begrijpt. Want ze kennen Jarka en mij alleen van haar ontmoetingen in Nederland. En in Nederland verliest Jarka een stukje van haar magie. Voor mij althans. Zo praat ze niet graag over politiek. En áls ze het al doet vallen onze monden open van verbazing. ‘Journalisten zijn geen mensen’ is één van haar uitspraken waar ik nog vaak aan wordt herinnerd door mijn vrienden. Maar ook die is volledig uit zijn verband getrokken. Ze refereerde daarbij namelijk aan een uitspraak van haar favoriete Tsjechische politicus Milos Zeman, een openlijk levensgenietende sociaal-democraat, die die uitspraak ook weer in een bepaalde context had gedaan natuurlijk. En laten we wel wezen: politici uit Oost-Europa zijn niet te vergelijken met die van ons. Wie herinnert zich niet de legendarische optredens van de altijd komische maar tegelijk onvoorstelbare Boris Jeltsin? Of de minister van defensie van Tsjechië die een lied had ingestudeerd voor de komst van George W. Bush? Om maar te zwijgen van het gevecht waarbij de Tsjechische minister van volksgezondheid wordt aangevallen door de ex-vice premier. Of de ongelooflijke Vaclav Claus, de huidige president van Tsjechië, met zijn uitspraken waarin hij het hele bestaan van een klimaatprobleem glashard ontkent.
In Tsjechië is alles anders. Mensen zijn er niet zo gejaagd als bij ons. Het leven wordt er niet zo serieus genomen. De terreur van de overheid die alles maatschappijbreed tot in de puntjes heeft geregisseerd zoals bij ons (waarschijnlijk door een gebrek aan werkelijke problemen of een gebrek aan voelsprieten daarvoor bij de Haagse populisten), heeft er nog niet om zich heen gegrepen. Of de Tsjechen trekken zich er in elk geval bar weinig van aan. Ronkende škoda’s zonder verlichting tijdens de spits op het drukke Wenceslasplein zijn er géén probleem. Tentamens aan de universiteit worden er onder het genot van een glas wijn afgenomen (zowel voor docent als student, zo heb ik uit betrouwbare bron mogen vernemen), en gezond eten is voor mietjes.
Tsjechië doet me verlangen naar mijn kindertijd toen het bij ons ook nog allemaal zo zorgeloos was. Of leek. Door de ogen van een kind.
En de mensen zijn zó vriendelijk en behulpzaam naar elkaar! Niet zoals wij soms nog wel naar vrienden toe, maar naar totaal onbekenden. In Nederland hebben we dat allang uitbesteed aan dure psychologen, ambulancebroeders, treinconducteurs (als je geluk hebt – gisteren was er één die een reiziger op station Veenendaal uit de laatste trein van die dag zette) en een paar groen-linksers.
En dan de obers! In Tsjechië weten ze nog wat bedienen betékent. Wat sfeer en stijl zijn. In ons vaste (grand)café Slavia, tegenover het nationaal theater zit nog een pianist die uren achtereen zijn stukjes speelt, afgewisseld met verzoeknummers van verliefde stelletjes of enthousiaste toeristen. Bij een volgend bezoek vraagt de bedienende ober ons hoe het met ons gaat. En op de stijlvolle toiletten in de kelder klinkt zachte pianomuziek.
We praten en praten, zien mensen verschijnen en weer verdwijnen en buiten wordt het donker. Trams rijden af en aan, op de Moldau gaan de feestboten heen en weer. Een sirene sterft weg in de verte. Maar wij blijven zitten in Slavia. Tot de ober ons vriendelijk verzoekt onze avond elders voort te zetten omdat het sluitingstijd is.
We steken de brug over naar de Staré Město (de Oude Stad), op weg naar de Praagse Burcht. Van achter de kantelen kijken we uit over de oude stad met al z’n lichtjes en mensen. Zacht kus ik Jarka in haar nek.
De voorbijgaande paleiswacht wenst ons vriendelijke goedenacht. En we wandelen verder, de trappen af, terug naar het centrum. Geen idee meer waar ik ben of hoe laat het is, maar het is erg rustig. Er komen wat trams langs en we staan tegenover een gebouw waarvan ik me zo voorstel dat het een concertgebouw is waar dagelijks de romantische vioolklanken het gebouw vullen met emotie. Jarka en Praag. Ze horen onlosmakelijk bij elkaar. En ik ben hen.
Prachtig Kerel! Prachtig! Ik heb eindelijk de tijd je prachtige verhalen te lezen. Nu verlang ik ook naar een mooie Oostblok vrouw! Ik ga de rest lezen.
Groeten