Nog zes dagen. Dan heb ik mijn herkansing statistiek. Na mijn 3,4 op het eerste tentamen heb ik de illusie laten varen dat ik dat cijfer wel op zou halen in tentamen deel 2. Met als resultaat een pijnlijke 1,7 op mijn eindlijst. Ik heb toen al mijn aandacht gevestigd op de twee andere tentamens, zodat ik in de zomer maar één herkansing zou hebben waar ik dan al mijn aandacht op zou kunnen vestigen. En ook nog voor het vak met de minste literatuur van het hele jaar. Best een verstandig plan leek me dat.
Maar de eerste week die ik had ingepland om te gaan leren heb ik besteed aan denken aan het feit dat ik toch eigenlijk zou móeten leren, terwijl ik mijn tijd in plaats daarvan verdeelde over boeken lezen, de NRC bellen omdat mijn krant niet was bezorgd (of althans een interessant katern ervan ontbrak – ook in de nabezorgde editie: krantenbezorger, vanaf hier mijn welgemeende excuses), zeven cd’s van Schubert luisteren, uitgevoerd door Alfred Brendel en daarbij af en toe denkend aan Youp van ‘t Hek omdat hij er ooit een stukje aan heeft gewijd in één van zijn boekjes, mijn kamer opgeruimd, verhaaltjes geschreven in het park, zo’n 20 keer per dag mijn inbox gecontroleerd, een paar nieuwe schoenen gekocht, net als twee nieuwe broeken bij de Bijenkorf en een boek met de verzamelde werken van Henry David Thoreau, alsof ik daar tijd voor heb de komende dagen.
Omdat ik vandaag nog minder dan een week over heb om te leren voor mijn lievelingsvak, heb ik maar besloten weer eens naar de Universiteit van Amsterdam (UvA) te gaan. In de hoop dat ik daar wél wat ga leren. Net de reader uitgeprint en geconstateerd dat die wel erg veel bladzijden omvat. Da’s het nadeel van online readers: ik wacht met printen tot vlak voor een tentamen. En dan ontdek je dat het allemaal best veel is. Wat een blijheid, wat een vreugde!
En in plaats van na deze constatering als een malle aan de slag te gaan, zoek ik mijn weblog op om een studie-ontwijkend-verhaaltje te schrijven. Elk nadeel heeft zijn voordeel, is het niet?
Mijn oog valt op een stukje uit de reader: ”Sommige historici hebben het uitbreken van de Franse Revolutie in 1798 [sic!] verklaard uit de hoge graanprijzen in de voorafgaande jaren. Formuleer deze verklaring in termen van het Hypothetisch-Deductieve schema.
L: Als in een maatschappij de graanprijzen minstens 5 jaar achtereen hoog zijn, breekt een revolutie uit.
C: In de periode 1783-1787 waren de graanprijzen in Frankrijk hoog.
E: De Franse Revolutie van 1789.
Waarbij L: wet(matigheid), C: conditie en E: gebeurtenis die moet worden verklaard (c.q. voorspeld).”
Tóch nog iets interessants ontdekt! Ik ga maar eens leren!
Hahaaha…ik ken het gevoel. Alleen de laatste alinea snap ik geen hol van.
Op naar je volgende parel.