Voor de spiegel gaan staan met je mond open als je net een hap uit een appel hebt genomen en een paar keer op het stuk appel hebt gekauwd. Dat is leuk! Je ziet allemaal kleurnuances bij elkaar in kleine, grofgevormde stukjes appel. Maar nog wel van elkaar te onderscheiden. Bruut afgescheurde stukjes appelvel en afdrukken van je linkeronderkies met die vulling vermengd met speeksel en een tong die dikker en dunner wordt door een verandering van spierspanning. Ongemerkt, maar door de appelstukjes die erop liggen ineens duidelijk waarneembaar.
Ik was gisteren met Annelies in het SIC, het studenteninformatiecentrum van de Universiteit van Amsterdam. Daar zag ik een advertentie hangen waarin mensen opgeroepen werden te schrijven over hun studentenleven en hun stukje ter beoordeling op te sturen naar een emailadres van ene Ilse. Als ze het leuk vond kwam je op een website terecht en dat mocht je dan op terugkerende basis doen. Leek me leuk.
Maar wat doen studenten zoal? Nou, dit dus. Stukjes kapotgebeten appel in hun mond bekijken. Net als vitamine C bruistabletten bestuderen. Ik haalde er vanochtend een uit de plastic koker, maar hij viel op de grond. En hoewel er genoeg vitamine C vrijkomt als je de pil oplost in een glas water waardoor je weerstand toeneemt, leek het me toch beter deze niet in te nemen. Want de laatste keer dat ik mijn vloer heb gestofzuigd – laat staan gedweild – is alweer enige tijd geleden. En met ‘enige tijd geleden’ bedoel ik ‘enige tijd’ in studentenperceptie. En dan de minder hygiënische student (of is dat een pleonasme?). Want studenten hebben als het goed is wel wat anders aan hun hoofd dan kamers opruimen en schoonmaken.
Dus ik pakte die vitamine bruispil van de grond en legde hem in mijn wasbak. Mijn wasbak moet je weten, heeft vlak naast het afvoerputje een kuiltje waar altijd wat water in staat. Dat komt doordat de kraan er precies boven hangt. En daar druppelt langzaam maar constant wat leidingwater uit. Hoe lang het dat al doet weet ik niet, in elk geval al van voor ik deze kamer heb betrokken. Maar dat doet er niet zoveel toe. Waar het om gaat is dat die druppels bij elkaar opgeteld ervoor gezorgd hebben dat dat putje zich heeft gevormd, vlak voor het afvoerputje dat er precies achter ligt. Het putje was precies groot genoeg voor mijn bruistablet. Ik legde hem er in en hij begon direct te bruisen. Dat vind ik altijd zo zonde als je zo’n ding in een glas water laat vallen. Hij bruist dan ook natuurlijk, met luchtbelletjes die naar het oppervlak bewegen, maar dat is veel minder bijzonder om naar te kijken dan een pil die nèt genoeg water over zich heen krijgt om te gaan sissen en langzaam op te lossen. Bruisend water zien we vaak genoeg: supermarkten hebben er de schappen mee vol staan. Dus ik kijk en luister naar mijn oranje pil die steeds kleiner wordt. De sinas- en abrikozenlucht vult mijn wasbak en ik snuif de dampen met wijdgesperde neusvleugels naar binnen. Heerlijk. Maar het feest is maar van korte duur: de pil is weg voor ik er erg in heb. Ik troost me met de gedachte dat het rioolwater dat onder onze straten doorgaat zich nu in elk geval iets beter kan verweren tegen al die rotzooi die erdoorheen gaat. Weer een goede daad verricht vandaag. En da’s mooi. Want goede daden daar heeft de wereld er nooit genoeg van.
Ik kijk naar mijn appel die ik maar half heb opgegeten en naast me op mijn bureau staat. Dat komt doordat ik tijdens het spiegelkijken op het idee kwam dit stukje te schrijven. De rest van de appel komt daarna wel. Maar hij wordt al bruin! Dat is zo’n vervelende eigenschap van appels. Dat ze zo snel verkleuren. Maar wel symbolisch voor het leven: mooie en lekkere dingen zijn vluchtig van aard. De kunst is dus zoveel mogelijk van het moment te genieten. Uitstel, of proberen het mooie moment te rekken, werkt meestal niet. Hoewel ik gisteren tijdens de pauze van mijn werkgroep van een studente naast me hoorde dat je dat bruinwordingsproces van appels kunt tegengaan door er citroensap overheen te sprenkelen.
Hoe we daarop kwamen? Ze had een hele grote appel voor zich op tafel liggen en ze beklaagde zich erover dat ze die niet op kreeg. Ik vroeg haar waarom ze geen pink lady had gekocht (mijn favoriet). Dat had ze niet gedaan omdat die ook vrij groot waren. Oh ja, dat was je argument, dacht ik. Toen stelde ik voor voortaan braeburn mee te nemen. Maar die vond ze te zuur. En over smaak valt niet te twisten, al schep ik er vaak genoegen in dat toch te proberen. Maar niet vandaag. Toen ik haar vroeg waarom ze dan toch zo’n grote had gekocht verontschuldigde ze zich met het argument dat hij in de bonus was bij Albert Heijn. Ze zag zelf ook wel in dat die bonus niet opwoog tegen het stuk appel dat je noodgedwongen moest laten liggen omdat je het niet op kreeg, maar, behulpzaam als ik ben, gaf ik haar als advies dat ze hem voortaan gewoon in partjes moest snijden zodat ze de hoeveelheid kon doseren. Maar daar kwam het probleem van het bruinwordingsproces om de hoek kijken. En toen noemde zij de citroensaptruc. Handig! Ga ik van mijn leven niet meer vergeten. Maar vandaag heb ik geen citroensap bij de hand. Dus ik ga mijn appel opeten voor hij niet meer om aan te zien is.

Goed verhaal, Snijders
En belachelijk dat je die truuk nog niet kende, trouwens!
Leuk! Met dit stukje wordt je wel uitgekozen
Tenminste, als je het woord SIS in SIC verandert, want zoals je zelf ook al aangaf heet het Service- en InformatieCentrum.
En verder ben ik het met Ellen eens. Zeker nooit een appeltaart gebakken?