Waar moet ik in Godsnaam over schrijven? Gedachten flitsen door mijn kop. Mijn vingers flitsen over het toetsenbord, de ene gedachte na de andere tikkend. Om ze vervolgens even snel weer weg te poetsen met de backspace. Een snelle blik door mijn kamer helpt me verder, want het is hier weeral een bende. Teken dat ik hard met de studie bezig ben. Of met andere dingen. Schilderijtjes maken bijvoorbeeld. ‘Whistler’s Mother’ (van de schilder met de gelijknamige naam) is er niets bij. Of kijken hoe goed de origami-oefeningen van de lagere school zijn blijven hangen door overgebleven servetten van mijn laatste feest om te vormen tot sierlijke zwanen (bijspijkercursus gewenst). Of gewoon dromerig naar de volle maan kijken vanuit mijn raam. Doe ik veel te weinig.
De stapel NRC’s in mijn kamer stapelt zich op zonder dat ik de tijd heb de kranten echt te lezen. Kredietcrisis, Amerikaanse verkiezingen, verkrachtingen in Congo. De koppen komen nog wel enigszins door, maar de achtergronden moeten het ontgelden. Ik zei gisteren tegen een studiegenote dat ik net zo goed De Telegraaf kon gaan lezen. Ondertussen komen de tentamens er weer aan en de laatste essays, papers en werkgroepbijeenkomsten moeten worden voorbereid. Een blik op m’n studieplanning laat al gauw zien dat het weinig zin heeft een inhaalslag te maken: met mijn leestempo moeten mijn etmalen twee keer zo lang duren als de huidige 24 uur die ervoor gegeven is.
Dus wat doe je dan? Je vergeet je studie even. Pure noodzaak. Maar om niet de hele dag te worden lastig gevallen met dat knagende gevoel dat eigenlijk je verdiende straf voor deze strategie is ga je in elk geval iets lezen dat bijdraagt aan je ontwikkeling. In mijn geval Suicide van Durkheim. Ooit een keer terloops in een college genoemd. En dus een geldig excuus. Houd ik mezelf voor. Alleen nog even het verband met politicologie ontdekken. Maar dat is waarschijnlijk slechts een kwestie van tijd. En hoe meer woorden ik onderstreep, hoe meer aantekeningen ik in de kantlijn schrijf, hoe meer ik erin ga geloven. Daar kom ik wel uit. Bovendien: wat heeft het ook voor zin alleen maar met je studie bezig te zijn? Wie wil er nu afstuderen voor zijn dertigste? Waarom zou mijn vader wel twaalf jaar van zijn leven in de collegebanken mogen doorbrengen en ik niet? Als ik onze politici mag geloven zit een pensioen rond je 65ste er toch niet meer in voor ons. Dan nu maar vast een beetje van mijn vrijheid genieten.
