
Ik liep vroeger met een houtje-touwtje jas over het schoolplein. Daar had m’n moeder eigenhandig stoflapjes met romantische roosjes op de zakken gestikt. En van die kanten randjes langs de rits en zakken. Het resultaat van gehaaide onderhandelingen in de kledingzaak tussen mijn moeder en mij. Ik had geaccepteerd dat ik in een houtje-touwtje jas zou gaan lopen, als mijn moeder hem zou verfraaien met verschillende kleurtjes. Na een aanvankelijke schrikreactie bleek het een meesterzet. Want met het dragen van die jas kwamen de oudste meisjes van het laatste jaar naar me toe om me op te tillen en rondjes met me te draaien op het schoolplein. Dat waren de meisjes met beginnende borsten. Na die jas ben ik nooit meer met zoveel gemak bij een mooie-meisjes-boezem in de buurt gekomen…’
Minder leuk was de gymles zoals je hem normaal alleen in je meest duistere nachtmerries beleeft. Mijn moeder stikte namelijk niet alleen rozenstofjes op suffe jaszakken. Ze vond het ook onnodig om ondergoed op kleur te wassen. Zo gebeurde het eens dat mijn witte onderbroeken knalroze waren geworden na een zekere wasbeurt. En ook ik vond het niet zo erg om in roze ondergoed rond te lopen. Bang voor een bezoekje aan de EHBO was ik toen nog niet en ook de zorgen die bij het opgroeiende man-worden horen speelden toen nog geen rol van betekenis.
Zo gebeurde het dat ik op een dinsdagmorgen na het tweede lesuur tot de griezelige ontdekking kwam dat we die dag gymles hadden. Hoe ik dat had kunnen vergeten was ook mij een raadsel, want als ik érgens een hekel aan had in mijn lagere schooltijd dan was het wel aan gym. De uren na de gymles waren altijd hemels: een hele gymloze week in het vooruitzicht. Maar aan het eind van de zondag kwam die gewraakte dag toch weer angstvallig dichtbij en beheerste het vooruitzicht erop mijn gedachten in een zelfde mate als nu een bezoekje aan de kaakchirurg alleen nog weet op te wekken.
Dit keer was de gymles echter aan mijn gedachten voorbij gegaan – waarschijnlijk had ik het te druk met archeoloogje spelen in de grote zandbak waarin onze woonwijk in die dagen was omgetoverd door de gemeentewerkers – waardoor ik die dinsdagochtend tot mijn verbijstering ontdekte dat ik mijn gymspullen niet bij me had. En alsof de gymlessen niet al vervelend genoeg waren had onze gymlerares de strenge eis dat kinderen zonder gymspullen maar in hun onderbroek moesten meedoen. Anders wist ze wel wie er elke week zijn gymspullen thuis zou laten liggen…
Of al mijn onderbroeken in die dagen roze waren weet ik niet meer, maar die dag was het in elk geval raak. Twee uur lang was mijn onderbroek net zo gezond van kleur als mijn roze-rode wangetjes.
De lagere school. Als ik er op terug kijk was dat misschien wel waar ik me het meest druk om heb gemaakt in die zeven lange jaren: mijn kleding en de reacties erop van de schoolgaande kinderen.
Ik had een hele goede kledingsmaak. Maar zó goed, dat ik er niet voor uit durfde te komen. Toen ik de respectabele leeftijd van 7 jaar bereikt had en de kerst naderde, mocht ik een outfit van mijn ouders uitzoeken voor de feestdagen. Vastberaden liep ik direct naar de hoek met de zwarte colbertjes in kindermaat en bijpassende broek, waarmee ik dat jaar bij kerst de toon wist te zetten voor alle jaren die zouden volgen. De laatste keer werd ik door m’n neefje James Bond genoemd. En m’n oma vindt me een dandy. Maar goed, hoe gedistingeerd ook, ik trok ze buiten de privé-sfeer om niet aan. Op school liep ik in mijn scouting-trui (in m’n broek gestopt) en met rode sokken, me van geen kwaad bewust.
Veel schoenen die ik gedragen heb kan ik me niet meer voor de geest halen, maar ik heb een tijd lang met gympen gelopen in alle kleuren van de regenboog waarbij vooral de felroze stippen de aandacht trokken. Niet erg zou je denken, totdat er een meisje uit m’n klas langsliep die precies dezelfde schoenen droeg. De eerste momenten probeerde ik als een echte Brugman aan iedereen uit te leggen dat zij toch echt met jongensschoenen rondliep. Maar helaas was het omgekeerde verhaal uit haar mond voor velen toch geloofwaardiger. Want roze was toen nog niet voor mannen. Of jongetjes.
Een ander schoenenpaar dat me hoofdbrekers heeft bezorgd waren mijn allereerste echte brogues, of, zoals ik ze toen vaak noemde: mijn blauwe gaatjesschoenen. Jarenlang had ik me verlekkerd aan die veel te dure, chique schoenen achter de etalageruiten. En even lang had m’n moeder me te kennen gegeven dat die schoenen belachelijk duur waren en ik het wel kon vergeten daar op rond te lopen zolang ik voor mijn kleding afhankelijk was van de kinderbijslag. Maar uiteindelijk was het me gelukt: ik had m’n moeder beloofd er heel zuinig op te zijn en er nog lang op rond te zullen lopen. Niet geheel ongeloofwaardig na al die jaren van smeekbedes.
Maar toen was het tijd voor de nachtmerrie van mijn moeder: ik heb ze welgeteld één dag gedragen. Vol trots stapte ik als uw favoriete advocaat, politicus of zakenman het schoolplein op in mijn glimmende grote-mensen schoenen. Maar ik had nog geen stap op het plein gezet of de eerste schuine blikken van de ouderejaars had ik al te pakken. Wat er daarna allemaal al of niet tegen me gezegd is weet ik niet meer, maar het was voldoende om me ervan te doordringen dat een tweede dag op die schoenen mijn doodvonnis had betekend. En dus heb ik ze thuis heel diep onder mijn bed verstopt om ze er pas weer onder vandaan te halen toen ik de schoenmaat uitgegroeid was.
Hee held, prachtig! Gelukkig krijg je op onze leeftijd vooral waardering voor je kledingstijl. De ontluikende borstjes vond ik wel het mooiste moment, maar dat had je vast al verwacht. Misschien dat de gaatjesschoenen nu juist wel voor die momenten zorgen, alleen zijn de borstjes niet meer onluikende…