De vakanties waren altijd het mooist. Dan gingen we naar bompa en mammie, onze Belgische opa en oma in Wemmel, op een heuvel vlakbij Brussel vanwaar je het atomium kon zien. Bij bompa en mammie kwamen we in een andere wereld. De wereld van de kunstenaars, in de breedste zin van het woord. Bompa had altijd de tv aanstaan. Overdag actualiteiten en sport, ’s avonds franse films of Vlaamse grappenmakers in een studio die veel leukere moppen tapten dan de Nederlanders. Ik herinner me nog een franse film waarbij een boot over de Seine door Parijs voer en de bemanning een passagier met bezems dwongen van een uitstaande springplank te springen. Ik vond het heel gemeen van ze en eng voor de passagier. Mijn eerste beeld bij Parijs was gevormd. Daar, voor de tv. Later heb ik Parijs vooral geassocieerd met mooie beelden. Maar dit was de eerste.
Als bompa geen tv keek was hij aan het tekenen, zijn krantje aan het lezen, kruiswoordpuzzels aan het invullen of grote verhalen aan tafel aan het houden met hard gelach en tirades tegen de Verenigde Staten met hun Coca-Cola.
Allemaal mooie beelden. ’s Ochtends vroeg ging bompa het dorp in om zijn gazet te halen. Een wandeling recht door de weilanden in de richting van de kerk. Op zondag maakte hij dezelfde wandeling, maar kwam hij zonder krant terug thuis. Ik besef me nu pas, terwijl ik dit schrijf, dat hij alleen naar de kerk ging. Zonder mammie. Maar thuis aan tafel vloekte hij wel en mammie niet. Vreemd.
Als bompa aan het tekenen was, deed hij dat meestal boven in zijn atelier, aan een tafel die vol met papier en naslagwerken lag. Of tafel: het was een lange houten plank die steunde op houten uitklappoten. In het midden zakte de plank door het gewicht van al het papier altijd een stuk naar beneden. Maar hij heeft het al die tijd overleefd. Achter en naast bompa stonden op richels en vensterbanken allemaal gebruikte potjes oost-indische inkt. Want bompa werkte voornamelijk in zwart-wit. Sporters, blote vrouwen en politici tekende hij. Ik weet nog dat hij mijn vader eens een karikatuur van Wim Kok liet zien en dat ze allebei moesten lachen om de kenmerkende trekken in zijn gezicht. Soms zat bompa aan de eettafel, dan gingen we samen tekenen. Ik tekende mannetjes met bolhoeden en stropdassen, bompa de dingen die ik moeilijk vond. Schoenen, handen, gezichten, politiemannen met pet. Of, zoals hij zei: ‘allee, nen klak op diennen flik z’n kop sè, daar!’. Met een gemak waar ik jaloers van werd. Maar waardoor ik hem ook telkens weer meer ging bewonderen.
Met Kerstmis versierde hij altijd de eettafel met zelfgemaakte tekeningen en kerstboodschappen. Iets waar ik het hele jaar naar uit kon kijken. En dan stond hij de hele dag in de keuken met een grote chefmuts op z’n hoofd om de kreeft en kaviaar klaar te maken en mooi te presenteren. Champagne, bier en wijn. Standaard erbij.
Elke keer dat we weer bij ze waren zei hij hoeveel we wel niet gegroeid waren en vroeg hij naar wat we nu op school leerden. En dan vertelde ik hem enthousiast over de VOC, de ezelsbrug TV-TAS voor de Waddeneilanden of ‘t kofschip. En als we het over school hadden vertelde hij over de lessen die hij gaf als docent tekenen op het Sint Lucas. En over zijn tijd op het reclamebureau. Met etsen die hij had gemaakt voor wasmiddelenfabrikanten waar een burgerlijke moeder met een tandpasta-lach blij de witte was van de waslijn haalde.
Toen ik wat ouder was mocht ik met hem biljarten in de voorkamer. En nog wat later haalde hij de schuiftrombone van zijn vader van het plafond en vroeg me wat te spelen. Hij liet me zien hoe de drukpers werkte en vertelde hoe hij aan alle prullaria was gekomen die hij samen met mammie zijn hele leven had verzameld en bewaard in een glazen kastje in de woonkamer. ‘Musée cu-cu’ hadden ze het kastje genoemd. Vast ook met een achterliggend verhaal. Maar dat heb ik nooit verder uitgezocht. Het ding hing vol met zakhorloges, chiquita-bananenstickers, mokken, pasfoto’s,souvenirs en weet ik wat al niet meer. Maar achter ieder ding ging een verhaal schuil.
Maar hoe ouder ik, en dus ook hij, werd, hoe minder bompa nog tekeningen maakte en hoe minder hij enthousiast vertelde over zijn belevenissen tijdens het wielrennen in Italië (hij had ooit een sigaret aangekregen door hem eenvoudigweg boven de krater van de Vesuvius of de Etna te houden – ik weet nog steeds niet of het waar is of niet), zijn tijd als kunstenaar in Parijs, of zijn reis naar Londen waar hij in geuren en kleuren kon vertellen over de verleidingen van Harrods en de Engelse gewoonte om vis uit een opgerolde krant te eten.
Op een gegeven moment ging hij op zondag niet meer naar de kerk. Nog later haalde hij zelfs niet meer zelf zijn krantje op. Tekeningen maakte hij steeds minder, tv kijken deed hij steeds vaker, zij het met een half oog. Hij sliep veel in zijn blauwe stoel met de kat op schoot. Lopen ging steeds moeizamer. Op den duur kwam er een verpleegster op gezette tijden langs om zijn knieën in te smeren en zo nog een beetje soepel te houden. Dan moesten wij de kamer uit en werd bompa weer iets spraakzamer. Maar op den duur ging ook dat niet meer. Bompa viel steeds vaker en mammie kon hem niet meer overeind helpen. Na de zoveelste valpartij moest bompa naar het ziekenhuis ter observatie. En daarna is hij doorgegaan naar een verzorgingstehuis een paar straten van het atomium af. De eerste keer dat ik hem daar zag herkende ik hem bijna niet meer. Ingevallen wangen, geen baard meer en grote ronde ogen die de kamer in staarden. Een kamer die in de verste verte niks geen overeenkomst of raakvlak had met zijn hele zijn als kunstenaar. Een tweetal steriele, nephouten kasten, naar ziekenhuis stinkende vloeren, plastic bijzettafeltjes en nylon gordijnen voor een raam dat uitzicht bood op een trambaan. Ik besefte me dat bompa zich moest beseffen dat de voorbij rijdende tram het enige bewijs van leven buiten die kamer was die hij zijn laatste dagen nog zou zien. Verder was hij totaal van de buitenwereld afgezonderd. Mammie zocht hem elke dag op voor een praatje en een knuffel, maar bompa werd stiller en stiller.
Met kerst kwamen we nog één keer met de hele familie naar hem toe om samen als vanouds kerst te vieren. Bompa kreeg zijn glas champagne en een drietal oesters, zichtbaar genietend. Maar toen mammie hem de volgende dag vroeg of hij blij was ons allemaal bij elkaar te hebben gezien keek hij haar verbaasd aan. Hij was het alweer vergeten. Een week later was hij dood.
Maar wat bleek? Hij had iedereen voor de gek gehouden. Van de verpleegsters kreeg mammie een stapel tekeningen mee die bompa in z’n laatste dagen nog had gemaakt. Hij had het speelgoed katje getekend dat hij een paar weken daarvoor van ons had gekregen. Met bibberende lijntjes leek het alsof een kind haar had getekend. Maar het was bompa. Tot aan z’n laatste dagen is hij blijven tekenen. Dat is misschien wel de mooiste herinnering die hij me heeft gegeven.





Nog zes dagen. Dan heb ik mijn herkansing statistiek. Na mijn 3,4 op het eerste tentamen heb ik de illusie laten varen dat ik dat cijfer wel op zou halen in tentamen deel 2. Met als resultaat een pijnlijke 1,7 op mijn eindlijst. Ik heb toen al mijn aandacht gevestigd op de twee andere tentamens, zodat ik in de zomer maar één herkansing zou hebben waar ik dan al mijn aandacht op zou kunnen vestigen. En ook nog voor het vak met de minste literatuur van het hele jaar. Best een verstandig plan leek me dat.
Aankomst met de bus in Praag op Florenc. Veel te vroeg. Vijf uur ’s ochtends ofzo. Daar staat ze. Als een charmante Française. Het haar bijeen gehouden door een bruine speld, in haar oren twee parels omringd met een zilveren versiering. Om haar vrouwelijke lichaam een getailleerde, zandkleurige regenjas met ceintuur en aan haar voetjes een paar suède muiltjes van bruin en roze. We lachen verliefd naar elkaar zodra ze me ziet zitten in de bus. Ik spring de bus uit en omhels haar. Oh, die blije verliefde ogen! Alleen díe weer zien maken de lange vervelende busreis al de moeite waard. We gaan de trappen af richting de metro, op weg naar haar kamer aan de rand van Praag.
