Feeds:
Berichten
Reacties

Bompa

De vakanties waren altijd het mooist. Dan gingen we naar bompa en mammie, onze Belgische opa en oma in Wemmel, op een heuvel vlakbij Brussel vanwaar je het atomium kon zien. Bij bompa en mammie kwamen we in een andere wereld. De wereld van de kunstenaars, in de breedste zin van het woord. Bompa had altijd de tv aanstaan. Overdag actualiteiten en sport, ’s avonds franse films of Vlaamse grappenmakers in een studio die veel leukere moppen tapten dan de Nederlanders. Ik herinner me nog een franse film waarbij een boot over de Seine door Parijs voer en de bemanning een passagier met bezems dwongen van een uitstaande springplank te springen. Ik vond het heel gemeen van ze en eng voor de passagier. Mijn eerste beeld bij Parijs was gevormd. Daar, voor de tv. Later heb ik Parijs vooral geassocieerd met mooie beelden. Maar dit was de eerste.

Als bompa geen tv keek was hij aan het tekenen, zijn krantje aan het lezen, kruiswoordpuzzels aan het invullen of grote verhalen aan tafel aan het houden met hard gelach en tirades tegen de Verenigde Staten met hun Coca-Cola.

Allemaal mooie beelden. ’s Ochtends vroeg ging bompa het dorp in om zijn gazet te halen. Een wandeling recht door de weilanden in de richting van de kerk. Op zondag maakte hij dezelfde wandeling, maar kwam hij zonder krant terug thuis. Ik besef me nu pas, terwijl ik dit schrijf, dat hij alleen naar de kerk ging. Zonder mammie. Maar thuis aan tafel vloekte hij wel en mammie niet. Vreemd.

Als bompa aan het tekenen was, deed hij dat meestal boven in zijn atelier, aan een tafel die vol met papier en naslagwerken lag. Of tafel: het was een lange houten plank die steunde op houten uitklappoten. In het midden zakte de plank door het gewicht van al het papier altijd een stuk naar beneden. Maar hij heeft het al die tijd overleefd. Achter en naast bompa stonden op richels en vensterbanken allemaal gebruikte potjes oost-indische inkt. Want bompa werkte voornamelijk in zwart-wit. Sporters, blote vrouwen en politici tekende hij. Ik weet nog dat hij mijn vader eens een karikatuur van Wim Kok liet zien en dat ze allebei moesten lachen om de kenmerkende trekken in zijn gezicht. Soms zat bompa aan de eettafel, dan gingen we samen tekenen. Ik tekende mannetjes met bolhoeden en stropdassen, bompa de dingen die ik moeilijk vond. Schoenen, handen, gezichten, politiemannen met pet. Of, zoals hij zei: ‘allee, nen klak op diennen flik z’n kop sè, daar!’. Met een gemak waar ik jaloers van werd. Maar waardoor ik hem ook telkens weer meer ging bewonderen.

Met Kerstmis versierde hij altijd de eettafel met zelfgemaakte tekeningen en kerstboodschappen. Iets waar ik het hele jaar naar uit kon kijken. En dan stond hij de hele dag in de keuken met een grote chefmuts op z’n hoofd om de kreeft en kaviaar klaar te maken en mooi te presenteren. Champagne, bier en wijn. Standaard erbij.

Elke keer dat we weer bij ze waren zei hij hoeveel we wel niet gegroeid waren en vroeg hij naar wat we nu op school leerden. En dan vertelde ik hem enthousiast over de VOC, de ezelsbrug TV-TAS voor de Waddeneilanden of ‘t kofschip. En als we het over school hadden vertelde hij over de lessen die hij gaf als docent tekenen op het Sint Lucas. En over zijn tijd op het reclamebureau. Met etsen die hij had gemaakt voor wasmiddelenfabrikanten waar een burgerlijke moeder met een tandpasta-lach blij de witte was van de waslijn haalde.

Toen ik wat ouder was mocht ik met hem biljarten in de voorkamer. En nog wat later haalde hij de schuiftrombone van zijn vader van het plafond en vroeg me wat te spelen. Hij liet me zien hoe de drukpers werkte en vertelde hoe hij aan alle prullaria was gekomen die hij samen met mammie zijn hele leven had verzameld en bewaard in een glazen kastje in de woonkamer. ‘Musée cu-cu’ hadden ze het kastje genoemd. Vast ook met een achterliggend verhaal. Maar dat heb ik nooit verder uitgezocht. Het ding hing vol met zakhorloges, chiquita-bananenstickers, mokken, pasfoto’s,souvenirs en weet ik wat al niet meer. Maar achter ieder ding ging een verhaal schuil.

Maar hoe ouder ik, en dus ook hij, werd, hoe minder bompa nog tekeningen maakte en hoe minder hij enthousiast vertelde over zijn belevenissen tijdens het wielrennen in Italië (hij had ooit een sigaret aangekregen door hem eenvoudigweg boven de krater van de Vesuvius of de Etna te houden – ik weet nog steeds niet of het waar is of niet), zijn tijd als kunstenaar in Parijs, of zijn reis naar Londen waar hij in geuren en kleuren kon vertellen over de verleidingen van Harrods en de Engelse gewoonte om vis uit een opgerolde krant te eten.

Op een gegeven moment ging hij op zondag niet meer naar de kerk. Nog later haalde hij zelfs niet meer zelf zijn krantje op. Tekeningen maakte hij steeds minder, tv kijken deed hij steeds vaker, zij het met een half oog. Hij sliep veel in zijn blauwe stoel met de kat op schoot. Lopen ging steeds moeizamer. Op den duur kwam er een verpleegster op gezette tijden langs om zijn knieën in te smeren en zo nog een beetje soepel te houden. Dan moesten wij de kamer uit en werd bompa weer iets spraakzamer. Maar op den duur ging ook dat niet meer. Bompa viel steeds vaker en mammie kon hem niet meer overeind helpen. Na de zoveelste valpartij moest bompa naar het ziekenhuis ter observatie. En daarna is hij doorgegaan naar een verzorgingstehuis een paar straten van het atomium af. De eerste keer dat ik hem daar zag herkende ik hem bijna niet meer. Ingevallen wangen, geen baard meer en grote ronde ogen die de kamer in staarden. Een kamer die in de verste verte niks geen overeenkomst of raakvlak had met zijn hele zijn als kunstenaar. Een tweetal steriele, nephouten kasten, naar ziekenhuis stinkende vloeren, plastic bijzettafeltjes en nylon gordijnen voor een raam dat uitzicht bood op een trambaan. Ik besefte me dat bompa zich moest beseffen dat de voorbij rijdende tram het enige bewijs van leven buiten die kamer was die hij zijn laatste dagen nog zou zien. Verder was hij totaal van de buitenwereld afgezonderd. Mammie zocht hem elke dag op voor een praatje en een knuffel, maar bompa werd stiller en stiller.

Met kerst kwamen we nog één keer met de hele familie naar hem toe om samen als vanouds kerst te vieren. Bompa kreeg zijn glas champagne en een drietal oesters, zichtbaar genietend. Maar toen mammie hem de volgende dag vroeg of hij blij was ons allemaal bij elkaar te hebben gezien keek hij haar verbaasd aan. Hij was het alweer vergeten. Een week later was hij dood.

Maar wat bleek? Hij had iedereen voor de gek gehouden. Van de verpleegsters kreeg mammie een stapel tekeningen mee die bompa in z’n laatste dagen nog had gemaakt. Hij had het speelgoed katje getekend dat hij een paar weken daarvoor van ons had gekregen. Met bibberende lijntjes leek het alsof een kind haar had getekend. Maar het was bompa. Tot aan z’n laatste dagen is hij blijven tekenen. Dat is misschien wel de mooiste herinnering die hij me heeft gegeven.

Annelies

Vergeet de zoektocht naar de zoen der zoenen, vergeet Eline uit de trein, vergeet de Praagse romance en de serveerster uit Brugge. Want ik heb een meisje ontmoet. Op een feestje. Een feestje waar er tegenwoordig zo veel van gegeven worden en zo’n feestje waar ik liever niet naartoe ga. Het thema was ‘beach’, de genodigden vrienden en kennissen van studenten die samen een verdieping in een flat deelden. Ik werd gebeld door Gert Jan of ik ook van de partij zou zijn. En omdat ik vorig jaar al ‘nee’ had gezegd en er waarschijnlijk nog wat oud-klasgenoten van de vrije school zouden komen besloot ik dat het dit keer tijd was om er wél bij te zijn. Maar natuurlijk niet in beach-outfit.

Met corduroy jas en stippeldas verscheen ik ten tonele. Ik had nog een zonnebril willen meenemen om te laten zien dat ik niet helemaal een spelbreker wilde zijn, maar zelfs díe was ik vergeten. Redder Gert Jan had er gelukkig nog eentje over.

Kort daarop kwam Lars de trap op. De rest van de avond en nacht hebben we min of meer met z’n tweeën doorgebracht, ver van het feestgedruis. Op de gang, buiten voor de ingang, aan de gracht of slenterend door de woonwijk.

Toen we terug kwamen bleek dat het balkon inmiddels bevolkt werd door interessante mensen. Enigszins onder invloed van enkele alcoholische versnaperingen werd het toch nog een semi-intellectueel feestje. Een student geschiedenis toetste mijn historische kennis door me te vragen naar de presidentsopvolging in de Verenigde Staten, en nog zo wat zaken waarvan ik alweer vergeten ben wat ze waren. Toen ging mijn blik naar de deur die naar de keuken leidde. In de hoek stond een heel mooi meisje dat ik al een paar keer eerder had gezien die avond. Ik vroeg haar of ze vond dat Duyvendak in de Tweede Kamer mocht blijven zitten na zijn bekentenis van de inbraak op het ministerie van Economische Zaken of niet. Ze vond van wel. Zonder verder te vragen naar haar argumentatie besloot ik dat het een goed moment was om samen met haar een nachtelijke wandeling te maken langs een nabijgelegen Amsterdamse gracht waar Sonneveld terecht één van mijn favoriete nummers over heeft gezongen. Maar al tijdens de wandeling merkte ik dat er die avond al veel te veel vodka was gebruikt. We praatten en praatten, en het werd licht. De vogels werden wakker maar wij gingen slapen. Toen Lars en ik de volgende dag weer naar huis gingen ontmoette ik haar weer in de keuken. We zeiden gedag maar keken elkaar net wat te lang in de ogen. ’s Middags heb ik haar gemaild voor een date. En nog geen week later zag ik haar weer in Amsterdam.

Na een etentje in de Haarlemmerstraat waar we allebei veel te zenuwachtig waren zijn we halsoverkop vertrokken in de hoop nog een paar kaartjes te bemachtigen voor een vioolconcert in het concertgebouw wat wonder boven wonder nog lukte ook. De avond begon met progressieve vioolklanken van Césare Franck, die, naar mijn bescheiden mening, terecht door Saint-Saëns werd afgekeurd. Na de pauze echter hoorden we daar de lieflijke kamermuziek van Brahms waar de verliefdheid vanaf vloog. Hoe toepasselijk.

Na het concert hebben we een lange wandeling langs de Amsterdamse grachten gemaakt. Maar de zenuwen bleven en het romantische kus-moment bleef uit. Het centraal station kwam steeds dichterbij en sneller dan me lief was. We keken op de blauwe vertrekborden, maar de trein naar Meppel was al vertrokken. Een belletje naar Simon was genoeg om mezelf te verzekeren van een slaapplek deze nacht, maar direct nadat ik had opgehangen stelde Annelies al voor bij haar te blijven slapen. Samen liepen we langs nog meer Amsterdams water tot we bij een brug kwamen langs het spoor. Rustig hebben we daar gewacht tot ook de laatste trein naar Arnhem voorbij was gereden. We kusten elkaar en ik zei dat we net een stel onzekere pubers waren. We lachten en de spanning gleed langzaam van ons af terwijl we terugliepen naar het centraal station voor haar fiets. Die nacht kwam er van slapen weinig terecht. De volgende ochtend zaten we samen met Gert Jan op het balkon waar het allemaal begonnen was de zaterdag daarvoor.

Die nacht kwam ik hem nog tegen op de gang. Hij vroeg of ik bleef slapen omdat ik de trein had gemist. En eerlijk als ik was antwoorde ik bevestigend op die vraag. Hij liep naar de keuken om thee te zetten en ik verdween in de kamer van Annelies. De volgende ochtend op het balkon werd Gert Jan duidelijk waaróm ik mijn trein had gemist die nacht, en waarom ik niet bij Gert Jan in bed was komen liggen. Sorry Gert Jan, volgende keer beter.

Eindelijk! Vakantie! ’s Ochtends om half negen de trein naar Roosendaal gepakt vanuit Arnhem. Samen met Simon op weg naar de Atlantische Oceaan waar vrienden van hem zaten. Interrailen door Europa! Een paar uur later staan we in Parijs op Gare du Nord waar we snel de metro opzoeken richting Montparnasse vanwaar onze TGV naar het Zuiden vertrekt. De zon schijnt fel als we een minuut of 20 later weer bovengronds zijn. Parijs krioelt als altijd, al zie je nu af en toe ook wat fietsers tussen de snelle Peugeots doorflitsen. Het resultaat van een soort witte-fietsen-plan-op-z’n-frans. Veel mooie meisjes en nog mooiere franse stemmen. Simon bestelt een crepe terwijl ik mijn flesje water leegdrink. We genieten van het drukke Parijs en de warme, felle zon.
Dan wordt het tijd terug te keren richting station, op zoek naar onze trein naar Bordeaux. Eenmaal binnen blijkt dat we niet naast elkaar zitten: Simon heeft zijn reservering aan de andere kant van het gangpad. Maar we besluiten naast elkaar te blijven zitten zolang niemand er een probleem van maakt. Al snel komen er twee dames de trein in. Een oudere vrouw van – ik vermoed – een jaar of vijfenzestig, zeventig, samen met een jongere, ambitieus ogende carrière-vrouw. Ik vermoed haar dochter. Ze houden stil naast onze plaats. Al vrij snel wordt duidelijk dat ze vastberaden is op de stoel te zitten waar ze voor gereserveerd heeft. Een beetje teleurgesteld gaan Simon en ik uit elkaar. Maar niet lang daarna begint de oude dame (haar jongere gezellin heeft de trein inmiddels weer verlaten) tegen me te praten. We hebben het over onze vakantie, over al haar vakanties, over vroeger, over nu, over de wereld, over Camus, muziek en jong zijn.
Ze had de hele wereld afgereisd. Verschillende scholen opgezet in hartje Afrika, heel Europa gezien, in Amerika gewoond en gewerkt, net als in Egypte. Ze had China en Argentinië bezocht en zo ging het nog wel een poosje door. Schijnbaar zonder moeite of voorbereiding ging het gesprek over in een vleugje filosofie. Hoewel ze al vele malen in haar leven benaderd was met de vraag of ze hoge topfuncties in het bedrijfsleven wilde vervullen vanwege haar bijzondere kwaliteiten had ze die steeds afgeslagen omdat ze weigerde zich aan te passen aan het heersende stramien van het bedrijf in kwestie. Ze had losse, matig betalende baantjes aangenomen die geen speciale vooropleiding vereisten, maar waardoor ze wel altijd vrij bleef om haar eigen beslissingen in het leven te nemen. Dat was belangrijk. Je eigen weg volgen. Moest ik ook doen. ‘ça c’est le life’, zei ze dan met theatrale armgebaren en een brede glimlach op haar typisch Franse gezicht.
Ik liet haar het boek zien dat ik aan het lezen was: de Vreemdeling van Camus. Of ze het ook gelezen had. Ja. En ook de Pest. Maar dat was een zwaar boek, aan de uitdrukking op haar gezicht te zien. Maar ze had veel gelezen. En veel mensen ontmoet. Interessante mensen. Op momenten als deze in de trein. De vrouw die haar had begeleid naar haar zitplaats in Parijs was een advocate die ze op één van haar vroegere reizen had leren kennen. Vandaag was ze op weg naar Biarritz, opnieuw naar vrienden. Om te revalideren van een knie-operatie. Ze tikte met haar rechterwijsvinger op haar knie en zei: ‘ti-ta-ni-um’.
De trein stond ondertussen al ruim twee uur stil in een tunnel onder Parijs in verband met een brand verderop. We gingen over muziek praten. Ik vertelde welke Franse chansons ik mooi vond en ik vroeg haar welke zij graag hoorde. Ze begon spontaan haar lievelingsnummer voor me te zingen. Toen ze klaar was vroeg ik of ze de tekst voor me wilde opschrijven in mijn schrift. Dat deed ze. En daaronder zette ze haar telefoonnummer neer. Ik moest haar bellen als ik weer in Parijs was, dan zouden we samen wat gaan drinken. Ik gaf haar drie zoenen op haar wangen om haar te bedanken.
Simon was intussen wat met zijn buurjongen aan de praat geraakt, die overigens ook druk bezig was zijn sociale netwerk uit te breiden. In de drie uur dat we stil hebben gestaan heeft hij zeker vier jonge Franse landgenoten leren kennen. Toen de trein weer reed zat hij met drie anderen te kaarten onder het genot van een goede fles wijn aan het eind van de wagon.
De Franse vrouw en ik bleven maar praten en praten. Ze zei dat ik deze reis nooit meer zou vergeten. En ik denk dat ze gelijk heeft. Vandaag ben ik teruggekomen in Nederland en ik heb het lied dat ze voor me heeft opgeschreven opgezocht op internet. Bij het horen van de melodie en de stem van haar zanger smelt ik. Een grote glimlach verschijnt op m’n gezicht en ik voel m’n ogen warm worden. Geen wonder dat dit haar lievelingslied is. Ik ga snel een keer terug naar Parijs zodat we het samen kunnen zingen met een rode wijn…
Het nummer? ‘l’Encre de tes yeux’, van Francis Cabrel.

Rare droom

Meestal kan ik mij niks herinneren van mijn dromen als ik wakker word. Maar vandaag is hij me bijgebleven. Omdat hij zo raar was. Ik had een examen Frans. Samen met een heleboel andere mensen zaten we in een grote gymzaal met groene vloer en uitklaptafeltjes. Toen iedereen een plaats had opgezocht kwam de docente binnen: het bleek mijn vroegere docente Frans te zijn, nog van de vrije school. Ze was geen steek veranderd. Uiterlijk dan. In haar gedrag kwam ze me wat minder vriendelijk over dan hoe ik me haar al die jaren had herinnerd.

Het examen was nog maar net begonnen of ze wees al iemand aan met haar lange, dunne, breekbare vingertje en haar pronte mond. De examenkandidaat kon z’n pen neerleggen en moest z’n werk inleveren. Ze kreeg een 1. Waarom was me niet duidelijk, maar ze zat schuin achter me, dus ze zal het er vast naar gemaakt hebben ook al had ik daar geen zicht op.

Maar niet veel later ging weer de arm van de docente Frans omhoog en het lange, dunne, breekbare vingertje wees weer iemand aan. Dit keer was het een zenuwachtige jongen die peentjes zat te zweten, al vanaf dat hij in de zaal zat. Ook hij kon z’n papieren inleveren bij haar bureau voorin de zaal.

Maar het tafereel ging door, en binnen niet al te lange tijd waren er toch al minstens tien, vijftien mensen door haar aangewezen die het examen niet af hoefden te maken. Het was een ware afvalrace. Nog vóórdat ze de tentamens hoefde na te kijken.

Het vermoeden begon te rijzen dat er wellicht ook onschuldige mensen werden uitgepikt. Ik keek om me heen en probeerde in te schatten of iemand aan het valsspelen was. Maar ik zag niks. Alleen maar hard nadenkende en vlug schrijvende studenten. De spanning was op te snijden. En de stapel onafgemaakte examens op het bureau van de docente groeide aan totdat je haar gezicht bijna niet meer kon zien.

Ik had er schoon genoeg van! Ik draaide de dop op mijn pen, legde hem naast m’n papier neer op tafel en pakte het antwoordformulier op om het vervolgens vastberaden te verfrommelen tot een propje, ongeveer ter grootte van een gehaktbal. Ik dompelde hem onder in een kommetje vol saté-saus die ineens op m’n tafel bleek te staan. Waar die nou weer vandaan kwam weet ik ook niet, maar het kwam me verdomd goed uit. Snel pakte ik een klein kladblaadje waar ik ‘Je t’aime’ op schreef. Dat legde ik boven op het verfrommelde examenvel dat nu besmeurd was met saté-saus. Ik keek mijn docente uitdagend boos aan, stond op zonder iets te zeggen en liep resoluut de tentamenzaal uit.

Nauwelijks op de gang aangekomen hoorde ik snel naderende voetstappen. Of voetstappen… er rende iemand achter me aan. Zo te horen een vrouw. Het waren de klakkende geluiden van kleine hakschoentjes. Ik draaide me om en zag dat het de docente Frans was. Ik dacht dat ze me een uitbrander zou geven en me boos zou vragen wat die actie van daarnet in godsnaam te betekenen had. Maar in plaats daarvan kwam ze steeds dichter naar me toe. Op een gegeven moment stonden onze neuzen hooguit vijf centimeter van elkaar af. Haar ogen keken strak in de mijne door haar strenge brilletje. En nog voor ik door had wat er gebeurde boog ze voorover en begon ze me te kussen!

Nog los van het onsmakelijke idee dat deze oude vrouw mij recht op mijn mond kuste begon ik me hardop af te vragen waarom ze me geen uitbrander gaf voor die saté-dipsaus actie van daarnet. Maar ze legde haar lange, steeds enger wordende dunne vinger op mijn mond en keek me straalverliefd aan. Ik werd doodsbang en wilde wegrennen, schreeuwen en m’n mond spoelen. Maar ik kwam geen stap vooruit of achteruit.

Toen werd ik wakker…

Brugge

Het regent. De drukte van vanmiddag is omgeslagen in een verlaten stad. Op het plein staan een paar koetsen met paarden te wachten op een nieuwe groep toeristen om door de oude stad te rijden.

Samen lopen we over de glimmende kasseien door verlaten steegjes, op zoek naar een leuk uitziend café. We komen bij een pleintje vol groene lindes en besluiten om buiten te gaan zitten. Chorizo, olijven en rode wijn. En een serveerster die zo snel ze kan van binnen naar buiten loopt en weer terug. Want het regent. Misschien nog wel harder dan daarnet.

We wandelen verder naar een volgende kroeg. Met onze ruggen tegen de muur, zodat we overzicht houden op het pleintje. We bestellen nog een keer rode wijn. Mensen wandelen voorbij, blijven staan, twijfelen en lopen toch verder. Of niet. Naast ons komen twee meisjes zitten. Ellen en ik wijzen om beurten langslopende groepjes mensen aan om erachter te komen tot wie van hen we ons het meest aangetrokken voelen. Vele mensen verder komen we tot de conclusie dat onze smaak over het algemeen tamelijk overeenkomt.

Dan valt mijn oog op het huis aan de overkant van het plein. Het valt een beetje uit de toon met de overige huizen qua architectuur. Past beter in Praag dan in Brugge. Maar op de eerste verdieping brandt licht. Een warme gloed verlaat de kamer en houdt mijn blik erop gefixeerd. Wat zou er daarbinnen gebeuren? Ik stel me zachte pianomuziek voor. Een man met lange benen in een zwarte pantalon en witte blouse. Een glas Smirnoff op het tafeltje naast hem. En aan de andere kant van de kamer een lange vrouw die moet kiezen tussen haar verstand dat zegt dat ze op haar hoede moet zijn en haar gevoel dat zegt dat ze zich moet overgeven aan dit moment. Buiten klettert de regen op de straat en tegen de ramen. Binnen is het warm en praat de man tegen haar. Ze hoort hem wel, maar verstaat hem niet. Ze luistert naar de klanken, naar de sfeer.

Buiten zitten twee mensen met hun rug tegen de muur. Een zacht opgewonden stemming verandert het straatbeeld van overdag in een gezellige, losse avond waar jonge mensen af en aan lopen en contact met elkaar maken. De twee jonge mensen zitten op een verwarmd terras onder een wapperende luifel. Rechts van hen aan hetzelfde plein staat een meisje in het roze achter de tap van het café naar buiten te kijken. Ze zoekt en vindt oogcontact met jongens van het terras van het aangrenzende café. Haar duim gaat omhoog. En ze lacht. Ellen en ik vragen onze serveerster of ze het meisje in roze een wijntje wil brengen. De serveerster aarzelt. ‘Dat is een ander café hè?’ Waarop we haar bemoedigend toeknikken. Ze gaat naar het meisje en komt kort daarna weer naar buiten. ‘Ze houdt niet van wijn’. ‘Geef haar dan maar een biertje’. Ze neemt het geld aan en loopt naar binnen.

Het raam met de goudgele gloed trekt nog steeds de aandacht. Zouden de man en de vrouw nog met elkaar praten? Of zouden ze zich met het ritme van de regen laten gaan, daar net boven het plein? Het meisje in roze kijkt vanuit het café onze kant uit en probeert blij contact te zoeken. Maar we wenden onze blik af. De serveerster komt maar niet terug. Ellen heeft ondertussen een reden op een kaartje geschreven voor ons biertje aan deze leuke, blije dame. Ik loop ermee naar binnen en zoek de serveerster op om haar het kaartje te geven dat ze samen met het biertje aan het nieuwsgierige meisje zou bezorgen. De muziek staat hard en we verstaan elkaar niet. Ik tik haar op haar schouder en overhandig haar het kaartje. Ze leest het berichtje en kijkt weer op. Ik zie een vertwijfelde, maar ook zacht gevoelige, blije lach op haar gezicht verschijnen. Maar voor ze eruit is ben ik alweer naar buiten. Ik neem Ellen mee en samen lopen we door de regen terug naar ons hotel. Wat er op het kaartje stond? ‘Omdat je bent’.

De moderne wereldreiziger

Reizen. Iedereen doet het tegenwoordig. Liefst zo ver weg mogelijk: Zambia, Peru, Indonesië, het maakt allemaal niet meer uit. Vooral onder jongeren schijnt het hoog gewaardeerd te worden. Je kunt tegenwoordig amper nog een hyves site op, of je stuit op zo’n wereldkaartje waar alle bezochte landen zijn gearceerd. Dit kan mijns inziens twee dingen betekenen: a. de verantwoordelijke voor het overzichtje is dement en gebruikt het kaartje als geheugensteun zodat hij niet per ongeluk voor een tweede keer een ticket boekt naar Maleisië bij de eerstvolgende vakantie. Mogelijkheid b.: de jongere in kwestie is helemaal niet dement. In dit geval is er sprake van een soort vervroegd intredende midlife crisis. Waar papa een glimmende sportwagen nodig heeft om z’n omgeving mee te imponeren (al of niet ingebeeld), zo heeft zoon of dochter tegenwoordig een gearceerd wereldkaartje nodig om het gevoel te hebben nog mee te doen in deze wereld. De vraag die bij mij steevast terug naar boven komt bij het zien van al deze half gekleurde werelden is: wie van al deze globetrotters kent zijn eigen achtertuin eigenlijk?

Vroeger was het vak van verkeersvlieger of stewardess nog iets bijzonders. Stoere mannen en charmante vrouwen die in grote vliegtuigen de hele wereld overvlogen. Maar nu is elke student economie toch wel minimaal naar drie continenten geweest. Anders tel je niet meer mee in onze huidige maatschappij. De ironie is natuurlijk dat hiermee ook de status van het reizen naar verre bestemmingen is gedevalueerd (ik denk dat je gerust kunt spreken van hyperinflatie als we het bij die economiestudenten houden). Wat is er nu nog bijzonder aan naar Zuid-Amerika gaan? Nee, mijn nieuwsgierigheid wordt tegenwoordig pas weer geprikkeld als ik iemand hoor zeggen dat hij of zij een paar weken met de trein of liftend Oost-Europa gaat verkennen. Of gewoon België. Of desnoods Portugal. Maar al die Midden-Oosten gangers, Australië backpackers en Azië yuppen! Laat ze vooral enkele reizen boeken.

We lezen wel hoe geweldig ze het hebben op de waarbenjijnu.nl’s.

Herkansing statistiek

Nog zes dagen. Dan heb ik mijn herkansing statistiek. Na mijn 3,4 op het eerste tentamen heb ik de illusie laten varen dat ik dat cijfer wel op zou halen in tentamen deel 2. Met als resultaat een pijnlijke 1,7 op mijn eindlijst. Ik heb toen al mijn aandacht gevestigd op de twee andere tentamens, zodat ik in de zomer maar één herkansing zou hebben waar ik dan al mijn aandacht op zou kunnen vestigen. En ook nog voor het vak met de minste literatuur van het hele jaar. Best een verstandig plan leek me dat.

Maar de eerste week die ik had ingepland om te gaan leren heb ik besteed aan denken aan het feit dat ik toch eigenlijk zou móeten leren, terwijl ik mijn tijd in plaats daarvan verdeelde over boeken lezen, de NRC bellen omdat mijn krant niet was bezorgd (of althans een interessant katern ervan ontbrak – ook in de nabezorgde editie: krantenbezorger, vanaf hier mijn welgemeende excuses), zeven cd’s van Schubert luisteren, uitgevoerd door Alfred Brendel en daarbij af en toe denkend aan Youp van ‘t Hek omdat hij er ooit een stukje aan heeft gewijd in één van zijn boekjes, mijn kamer opgeruimd, verhaaltjes geschreven in het park, zo’n 20 keer per dag mijn inbox gecontroleerd, een paar nieuwe schoenen gekocht, net als twee nieuwe broeken bij de Bijenkorf en een boek met de verzamelde werken van Henry David Thoreau, alsof ik daar tijd voor heb de komende dagen.

Omdat ik vandaag nog minder dan een week over heb om te leren voor mijn lievelingsvak, heb ik maar besloten weer eens naar de Universiteit van Amsterdam (UvA) te gaan. In de hoop dat ik daar wél wat ga leren. Net de reader uitgeprint en geconstateerd dat die wel erg veel bladzijden omvat. Da’s het nadeel van online readers: ik wacht met printen tot vlak voor een tentamen. En dan ontdek je dat het allemaal best veel is. Wat een blijheid, wat een vreugde!

En in plaats van na deze constatering als een malle aan de slag te gaan, zoek ik mijn weblog op om een studie-ontwijkend-verhaaltje te schrijven. Elk nadeel heeft zijn voordeel, is het niet?

Mijn oog valt op een stukje uit de reader: ”Sommige historici hebben het uitbreken van de Franse Revolutie in 1798 [sic!] verklaard uit de hoge graanprijzen in de voorafgaande jaren. Formuleer deze verklaring in termen van het Hypothetisch-Deductieve schema.

L: Als in een maatschappij de graanprijzen minstens 5 jaar achtereen hoog zijn, breekt een revolutie uit.

C: In de periode 1783-1787 waren de graanprijzen in Frankrijk hoog.

E: De Franse Revolutie van 1789.

Waarbij L: wet(matigheid), C: conditie en E: gebeurtenis die moet worden verklaard (c.q. voorspeld).”

Tóch nog iets interessants ontdekt! Ik ga maar eens leren!

Praag

Aankomst met de bus in Praag op Florenc. Veel te vroeg. Vijf uur ’s ochtends ofzo. Daar staat ze. Als een charmante Française. Het haar bijeen gehouden door een bruine speld, in haar oren twee parels omringd met een zilveren versiering. Om haar vrouwelijke lichaam een getailleerde, zandkleurige regenjas met ceintuur en aan haar voetjes een paar suède muiltjes van bruin en roze. We lachen verliefd naar elkaar zodra ze me ziet zitten in de bus. Ik spring de bus uit en omhels haar. Oh, die blije verliefde ogen! Alleen díe weer zien maken de lange vervelende busreis al de moeite waard. We gaan de trappen af richting de metro, op weg naar haar kamer aan de rand van Praag.

Wat duurt die metro-rit lang! We staan op springen allebei, terwijl de rest van Praag net wakker begint te worden en zich voorbereid op een nieuwe werkdag. Eindelijk halte Chodov. Zodra we uitstappen waait de ijzige winterwind van de gangenstelsels naar beneden door onze haren. Ik druk Jarka dicht tegen me aan en pak haar hand, die ik tegen m’n borst houd. Buiten sneeuwt het. De rood-witte bus stopt en de deuren gaan open. Vrouwen met dikke bontjassen en – mutsen tot over hun oren stappen één voor één in, en met een hard loeiende motor trekt de bus op door de dikke laag bijna zwart geworden sneeuw.

We stappen uit bij de economische faculteit waar de studentenflats direct naast staan. En het is écht aan de rand van Praag. Als ik voorbij haar flat kijk, zie ik alleen nog groene heuvels en een electriciteitsnet dat naar de horizon loopt.

In de flat moet ik onwillekeurig aan Anna Politkovskaja denken. De vermoorde journaliste uit Rusland. Een donkere gang met hier en daar wat knipperende tl-balken verdwijnt in het duister. Ideale plek om een journaliste dood te schieten denk ik nog. Ik kan er niks aan doen. Vreemd genoeg voel ik een apart soort opwinding bij die gedachte. Ik ben weer in Oost-Europa! Donkere gangen en échte sneeuw in plaats van de miezerige hoeveelheden die we in Nederland hebben – als er al wat valt – en een taal waar ik absoluut niets mee kan maar die me bij het horen of lezen ervan verliefd maakt op dit land.

We stappen in een oude, krappe lift met ouderwetse klapdeurtjes. Heel gaaf! En korte tijd later gaan we haar kamer binnen. Ik plof neer op het bed, moe van de busreis en het gebrek aan slaap. Maar veel tijd om uit te rusten krijg ik niet: ze komt naast me liggen en knoopt langzaam maar vastberaden m’n blouse open terwijl ze me met haar twinkeloogjes recht in m’n gezicht kijkt…

Uren gaan voorbij en van het aanvankelijke plan om ’s avonds arm in arm langs de Moldau te slenteren komt niks meer terecht. We zijn kapot. We hadden ons nog zó voorgenomen het dit keer anders te doen. Want zo gaat het elke keer als we elkaar na een maand of twee weer zien. De eerste twee dagen komen we de kamer niet uit. Niet eens om wat te eten.

Maar daarna gaan we Praag in. De stad die Parijs voor mij in de schaduw stelt als het gaat over de liefde en de romantiek. De stad ook, die maakt dat het thuisfront me niet begrijpt. Want ze kennen Jarka en mij alleen van haar ontmoetingen in Nederland. En in Nederland verliest Jarka een stukje van haar magie. Voor mij althans. Zo praat ze niet graag over politiek. En áls ze het al doet vallen onze monden open van verbazing. ‘Journalisten zijn geen mensen’ is één van haar uitspraken waar ik nog vaak aan wordt herinnerd door mijn vrienden. Maar ook die is volledig uit zijn verband getrokken. Ze refereerde daarbij namelijk aan een uitspraak van haar favoriete Tsjechische politicus Milos Zeman, een openlijk levensgenietende sociaal-democraat, die die uitspraak ook weer in een bepaalde context had gedaan natuurlijk. En laten we wel wezen: politici uit Oost-Europa zijn niet te vergelijken met die van ons. Wie herinnert zich niet de legendarische optredens van de altijd komische maar tegelijk onvoorstelbare Boris Jeltsin? Of de minister van defensie van Tsjechië die een lied had ingestudeerd voor de komst van George W. Bush? Om maar te zwijgen van het gevecht waarbij de Tsjechische minister van volksgezondheid wordt aangevallen door de ex-vice premier. Of de ongelooflijke Vaclav Claus, de huidige president van Tsjechië, met zijn uitspraken waarin hij het hele bestaan van een klimaatprobleem glashard ontkent.

In Tsjechië is alles anders. Mensen zijn er niet zo gejaagd als bij ons. Het leven wordt er niet zo serieus genomen. De terreur van de overheid die alles maatschappijbreed tot in de puntjes heeft geregisseerd zoals bij ons (waarschijnlijk door een gebrek aan werkelijke problemen of een gebrek aan voelsprieten daarvoor bij de Haagse populisten), heeft er nog niet om zich heen gegrepen. Of de Tsjechen trekken zich er in elk geval bar weinig van aan. Ronkende škoda’s zonder verlichting tijdens de spits op het drukke Wenceslasplein zijn er géén probleem. Tentamens aan de universiteit worden er onder het genot van een glas wijn afgenomen (zowel voor docent als student, zo heb ik uit betrouwbare bron mogen vernemen), en gezond eten is voor mietjes.

Tsjechië doet me verlangen naar mijn kindertijd toen het bij ons ook nog allemaal zo zorgeloos was. Of leek. Door de ogen van een kind.

En de mensen zijn zó vriendelijk en behulpzaam naar elkaar! Niet zoals wij soms nog wel naar vrienden toe, maar naar totaal onbekenden. In Nederland hebben we dat allang uitbesteed aan dure psychologen, ambulancebroeders, treinconducteurs (als je geluk hebt – gisteren was er één die een reiziger op station Veenendaal uit de laatste trein van die dag zette) en een paar groen-linksers.

En dan de obers! In Tsjechië weten ze nog wat bedienen betékent. Wat sfeer en stijl zijn. In ons vaste (grand)café Slavia, tegenover het nationaal theater zit nog een pianist die uren achtereen zijn stukjes speelt, afgewisseld met verzoeknummers van verliefde stelletjes of enthousiaste toeristen. Bij een volgend bezoek vraagt de bedienende ober ons hoe het met ons gaat. En op de stijlvolle toiletten in de kelder klinkt zachte pianomuziek.

We praten en praten, zien mensen verschijnen en weer verdwijnen en buiten wordt het donker. Trams rijden af en aan, op de Moldau gaan de feestboten heen en weer. Een sirene sterft weg in de verte. Maar wij blijven zitten in Slavia. Tot de ober ons vriendelijk verzoekt onze avond elders voort te zetten omdat het sluitingstijd is.

We steken de brug over naar de Staré Město (de Oude Stad), op weg naar de Praagse Burcht. Van achter de kantelen kijken we uit over de oude stad met al z’n lichtjes en mensen. Zacht kus ik Jarka in haar nek.

De voorbijgaande paleiswacht wenst ons vriendelijke goedenacht. En we wandelen verder, de trappen af, terug naar het centrum. Geen idee meer waar ik ben of hoe laat het is, maar het is erg rustig. Er komen wat trams langs en we staan tegenover een gebouw waarvan ik me zo voorstel dat het een concertgebouw is waar dagelijks de romantische vioolklanken het gebouw vullen met emotie. Jarka en Praag. Ze horen onlosmakelijk bij elkaar. En ik ben hen.

De zoen

Eline. 20 juni mijn eerste sms-je van haar ontvangen, waarin ze me bedankte voor mijn leuke aanbod. Het aanbod wat ze echter moest afslaan omdat ze een vriend had. Ze vertelde echter ook dat ze erg nieuwsgierig was naar wat ik deed. En voor ik het wist waren er al vele sms-jes heen en weer gegaan tussen Eline en mij. Nu, zo’n twee weken verder, is mijn verliefdheid die aanvankelijk steeds meer werd gevoed door mijn vluchtige correspondentie met Eline, omgeslagen in een algehele melancholie, ondersteund door de mooie maar zó emotionele vioolsuites van Bruch en een aanhoudende regen als ik uit het raam staar.

Gisteravond een glas wijn gehad met Ellen, mijn buurmeisje. En een goed gesprek. Een gesprek dat ging over de liefde, mijn drijfveren en de melancholie zelf natuurlijk. De melancholie waar Bruch een geheel nieuwe betekenis aan heeft gegeven met zijn muziek, zo stelden we ons voor (want laten we eerlijk zijn: hoe moest melancholie er uit hebben gezien vóór men zijn muziek kende?). Ik memoreerde naar mijn allereerste kus. Dat was een kus die op zichzelf verliefd maakte. Tussen mij en het meisje waar ik die kus mee beleefde is het overigens nooit wat geworden. We waren allebei 14 en op survival kamp met school in de Belgische Ardennen. We stonden arm in arm bij het kampvuur en op een gegeven moment kuste ze me. Wat een sensatie! Het was nog beter dan ik me altijd had voorgesteld. De vlinders in mijn buik werden allemaal tegelijk wakker en fladderden zich een ongeluk.

Na die kus ben ik blijven zoeken naar meisjes met wie ik die ervaring kon evenaren. Vele jaren en meisjes later moet ik helaas constateren dat er slechts één meisje was die dit fantastische gevoel met een zoen bij me terug heeft kunnen brengen. Het gebeurde op mijn hotelkamer zestien-hoog in downtown Hong Kong met een Australisch meisje. Eleanor heette ze. We hadden twee weken om elkaar heen gedraaid en drie dagen voor ons vertrek gebeurde het. Ik werd weer zó verliefd van die zoen! Ik wilde haar nooit meer laten gaan. Ik herinner me nog de eerste minuten in het vliegtuig terug naar huis na het opstijgen. Ik staarde naar de wolken die onder het vliegtuig voorbij schoven en dacht alleen maar: elke minuut die nu verstrijkt brengt me 15 kilometer verder bij haar vandaan. Zacht biggelden de tranen over mijn wangen.

Dat was in de zomer van 2002. Nu, zes jaar later, heb ik de sensatie van die zoen met geen enkel ander meisje ervaren. Ik krijg zo langzamerhand het idee dat deze zoen, die alle andere in een inktzwarte schaduw stelt, alleen te beleven valt met meisjes waar je geen relatie mee kunt beginnen. Hetzij omdat ze in Australië wonen, hetzij omdat ze met straaljagerpiloten trouwen (die uit de Ardennen).

De meisjes met wie ik relaties ben aangegaan hebben voor hele mooie herinneringen gezorgd. Variërend van goede gesprekken, romantische avondwandelingen door Londen, Parijs, Praag of gewoon Zwolle, intense, passionele seks, vakanties waarin alles alleen om ons draaide, tot intieme etentjes in knusse restaurantjes en emotionele verbondenheid in mooie en minder mooie tijden. Maar stuk voor stuk misten ze die zoen-ervaring die mijn drijfveer voor het leven is geworden. Het is een prachtig voorbeeld van de werkelijkheid die ‘het leven’ heet: de mooie momenten zijn vrijwel per definitie vluchtig van aard, terwijl de kwellende ervaringen uren lijken te duren. (Staat tegenover dat je die mooie momenten je leven lang blijft ophalen uit je herinneringen, terwijl de kwellingen vaak vergeten worden of met het verstrijken van de tijd ook iets moois krijgen.)

Wat zou ik graag een paar korte, vluchtige maar mooie momenten met Eline delen. Een zonsondergang, een wijntje in het Sarphatipark, samen lachen om de wijsheden van Oscar Wilde of huilen bij de violen van Bruch. Maar het kan niet: ze heeft een vriend. En na twee weken is wel duidelijk dat ze haar relatie niet in de waagschaal legt voor de verleiding, die volgens Wilde het enige doel van het leven is om na te streven, áls er al een doel is.

Ellen zegt dat ik wellicht minder specifiek moet zoeken. Omdat ik met deze houding heel veel mooie ervaringen laat liggen. En misschien heeft ze gelijk. Maar wat zijn die mooie ervaringen waard indien je beseft dat ze je nooit die speciale gevoelens van die magische zoen zullen brengen? Hoe kun je je doelen bijstellen nadat je geproefd hebt van de verboden vrucht? Er is geen weg terug. Het enige dat in de buurt komt van dat fantastische gevoel is de verliefdheid die ik ervaar aan het begin van een nieuwe relatie, of tijdens de handelingen die daaraan vooraf gaan. Wat ook meteen verklaart waarom ik het in een relatie nooit langer volhou dan dat het verliefde gevoel aanhoudt.
Camus zei eens: ‘er is maar één serieus filosofisch probleem, en dat is zelfmoord’. Doordrongen van het simpele feit dat we na onze geboorte op een bepaald moment weer zullen sterven geeft te denken over wat we met de tussenliggende periode aan moeten. Ik zie niet in waarom ik het beste gevoel dat ik tot nu toe in mijn leven heb ervaren niet zou blijven nastreven. Voor een ander zit het geluk wellicht in kinderen krijgen en ze zien opgroeien. Weer anderen willen verre landen ontdekken of erkend worden in hun werkveld. Maar ik wil mijn onwaarschijnlijk verliefdmakende zoen terug!

In de tussentijd zal ik me wel bezighouden met afleidende bezigheden als muziek luisteren (behalve bij Bruch: die vestigt juist de aandacht op het vreselijke gemis), boeken lezen, studeren, bos- en parkwandelingen maken, discussiëren, grasmaaien en dassen strikken, alsook onbekende aantrekkelijke meisjes uit de trein benaderen, zoals Eline. Maar alles vooral om de tijd tussen de laatste kus met Eleanor en de eerste kus met een nieuwe begenadigde kusser te bespoedigen.

Het meisje in de trein

De trein naar Arnhem van 16.30u vanaf Amsterdam Amstel. Een Engelsman vraagt een wachtende reiziger of de aankomende trein op Duivendrecht stopt. De man denkt dat de trein pas weer in Utrecht stopt maar twijfelt. Ik stap op hen af. Deze trein stopt pas weer op Utrecht en ik adviseer de Engelsman dat hij beter de metro kan nemen.

De trein is inmiddels het station binnen komen rollen. Ik ga – bij hoge uitzondering – beneden in de dubbeldekker zitten. En nog uitzonderlijker: onbekende reizigers praten met elkaar. Een Amerikaan spreekt een man tegenover hem aan. De man die net met de Engelsman in gesprek was op het perron. (Hij krijgt z’n portie Engels wel vandaag.) Het is een man in leren jas met das en een glasbril op z’n neus. Opvallende combinatie, dacht ik nog. Leren jas met das en glasbril. Maar vooral die stropdas. Niet raar voor een rechercheur, maar deze man deed iets juridisch, zo vernam ik uit het gesprek dat naast mij gevoerd werd. Wel leuk, zo viel hij tenminste op tussen al die andere zakenmensen die zich dagelijks op het Amstel-station verzamelen. De Amerikaan was net terug van een vakantie in Turkije en vertelde over de nationale opwinding daar rondom het EK-voetbal.
Tegenover me zat een wat oudere vrouw die zich met het tweetal ging bemoeien: ze wist niet goed of ze zaterdag voor Nederland of Rusland moest zijn. Want Rusland was ook wel een beetje Nederland met Hiddink als coach. De trein remt. En verdomd! Hij stopt vandaag wél op Duivendrecht. De man in leren jas en ik kijken elkaar verschrikt en een beetje verontschuldigend aan. Er stond toch écht op het bord boven het perron dat het eerstvolgende station Utrecht CS zou zijn. Nou ja. De deuren gaan open en er komt een mooi meisje tegenover me zitten. Volgens mij heb ik haar al eens eerder gezien. De oudere vrouw begint met het meisje te praten. Ze betrekt haar in het voetbal-verhaal. En het meisje gaat er heel vrolijk en enthousiast op in. Waarom zijn de treinreizen niet wat vaker zoals vandaag? Het vrouwtje is grappig en het mooie meisje en ik moeten zo nu en dan om haar lachen. Er worden wat twinkel-oogblikken over en weer uitgewisseld tussen het mooie meisje en mij. Maar de oude vrouw praat wel heel erg veel. En luistert weinig. Het mooie meisje vindt dat het mooi is geweest en vraagt de vrouw of ze de spits die naast haar ligt misschien mag lezen. De vrouw zoekt snel de puzzelpagina van het krantje op en begint de sudoku er uit te scheuren. Want daar was ze nog mee bezig.
Mijn nieuwsgierigheid slaat toe. Zou het leuke meisje interesse hebben in een krant die méér biedt dan alleen het ANP en de nieuwste roddels? Ik besluit de proef op de som te nemen en biedt haar mijn NRC aan. Ze bedankt me met een nieuwe betoverende glimlach. Dit is méér dan de krant aangeven! Ik krijg het warm. Ik wil aan de noodrem trekken, haar hand beetpakken en haar mee de weilanden in trekken en haar het hemd van het lijf vragen. Wie zit er achter dit aantrekkelijke leuke meisje? Hoe zou ze heten? Wat zou ze doen? Waar gaat ze heen? Wat denkt ze van mij? Wat flitst er door haar hoofd als ze me lachend aankijkt? Wat vraagt ze zich nu af?
Ik vóel dat we eigenlijk met elkaar willen praten maar het niet doen. Misschien omdat onbeantwoorde vragen eigenlijk veel leuker zijn: je verzint je eigen verhaal. We naderen Utrecht. Ik vraag me af of ze de NRC daadwerkelijk aan het lezen is. Met bibberende hand haal ik mijn agenda uit m’n tas en ik scheur er een notitieblaadje uit. Het kan niet zo zijn dat de trein zo stopt in Utrecht en ze zó de trein uitstapt zonder dat we elkaar ook maar íets gezegd hebben. Straks zie ik haar nooit meer terug! En hoe moet het dan met al die vragen? Ik schrijf snel iets op. Weet niet meer precies wat. Verfrommel het blaadje, want het lijkt nergens naar. Begin opnieuw. En ook die is het nog niet helemaal. Maar bij het derde briefje vind ik hem goed.
Ik word steeds zenuwachtiger en heb het idee dat iedereen om me heen door heeft wat ik aan het doen ben. Volgens mij heeft ook het meisje allang door dat ik een briefje voor haar schrijf. We rijden Utrecht binnen, en inderdaad: ze maakt aanstalte richting de deur te lopen. Snel geef ik haar mijn tot piepklein papiertje opgevouwen berichtje mee. En wéér die lach! Haar ogen verraden dat ze het inderdaad al in de gaten had. Maar ze neemt het briefje aan en loopt de wagon uit. Ik had verwacht dat de oude vrouw er wel wat van zou zeggen. Of anders de meneer tegenover me wel. Met z’n leren jas. Maar het gesprek gaat over andere dingen. Ik weet al niet meer wat. Het ouwe mensje bleef maar doorbabbelen. Ik hoop alleen maar dat ik een berichtje terug krijg. Eenmaal thuis kan ik aan niets anders meer denken. Mijn maag kriebelt en ik kijk de hele tijd naar mijn telefoon. He-le-maal niks! Ik wacht tot het 5 over 6 is, want ze zei dat ze naar Meppel moest. En haar trein moest ongeveer rond die tijd aankomen als ze direct door zou gaan vanaf Utrecht. Mooie bedenktijd voor een berichtje terug dacht ik. Utrecht – Meppel. Maar nog steeds niks. Ik had misschien ook gewoon mee moeten gaan naar Meppel. Dan hadden we tenminste met z’n tweeën kunnen praten zonder die kletsmajoor naast ons. Anderhalf uur lang. Enfin, ik probeer het los te laten; ze zal wel een vriend hebben en me zo snel mogelijk willen vergeten.
Maar de volgende dag gaat mijn telefoon: een berichtje! Ze heet Eline! Ik had zelf nog geen naam bij haar verschijning bedacht, maar Eline past perfect. Wat leuk dat ze me wat terug stuurt! Zou die nieuwsgierigheid dan toch wederzijds zijn? Het eerste sms-je bevat al meteen een vraag en haar enthousiasme lees je dwars door de letters van het berichtje heen. Het staat vol uitroeptekens. Maar inderdaad: ze heeft een vriend. Was dit het dan? Ik wacht af…

« Nieuwere berichten